nederlands.nl
Gebruikersnaam of e-mail:  Wachtwoord:    Registreren
















Top-5 beschouwingen:

1.
2.
3.
4.
5.


Categorieën:

actualiteit (93)
adel (1)
afscheid (3)
algemeen (19)
bedankt (3)
dieren (8)
discriminatie (8)
drank (6)
economie (11)
eenzaamheid (13)
emoties (16)
erotiek (2)
ex-liefde (1)
familie (8)
feest (6)
film (16)
filosofie (114)
fotografie (6)
geld (5)
geschiedenis (7)
geweld (3)
haiku (1)
heelal (22)
hobby (3)
humor (23)
huwelijk (1)
idool (943)
individu (4)
internet (5)
jaargetijden (6)
kerstmis (8)
kinderen (19)
koningshuis (6)
kunst (37)
landschap (3)
lichaam (3)
liefde (32)
literatuur (495)
maatschappij (70)
mannen (2)
milieu (7)
misdaad (15)
moraal (18)
muziek (411)
natuur (19)
oorlog (15)
ouders (1)
overig (11)
overlijden (20)
partner (2)
pesten (4)
politiek (43)
psychologie (46)
rampen (5)
reizen (12)
religie (118)
schilderkunst (76)
school (5)
sinterklaas (4)
sms (1)
snelsonnet (1)
spijt (2)
sport (15)
taal (20)
tijd (26)
toneel (3)
vakantie (5)
verdriet (6)
verhuizen (1)
verkeer (6)
voedsel (3)
vrijheid (17)
vrouwen (10)
welzijn (13)
wereld (17)
werk (12)
wetenschap (25)
woede (4)
woonoord (5)
ziekte (31)


gedichten.nl


Garnier Projects





tabblad: beschouwingen

< vorige | alles | volgende >

beschouwing (nr. 106):

Kritiek en haar functie — feiten en fictie

Iemand zonder benen
“Een criticus is iemand zonder benen, die de wereld wil leren lopen,” las ik in een academische agenda, toen ik zelf net een half jaar vrijwel dagelijks dagbladkritieken schreef over klassieke muziek, en ik, letterlijk aan de vooravond stond van mijn avontuur, zoals beschreven in het verhaal, dat men in deze krant kan lezen onder de titel Recensent, verschenen op 17 mei, in de rubriek Verhalen.
Het was de zomer van 1975 en ik had net het verzoek gekregen om in een mij geschikt dunkende vorm een bijdrage te schrijven — voor de grote kunstbijlage van de krant, die eind augustus van dat jaar zou verschijnen, over mijn gevoelens en ervaringen gedurende die zes maanden en hoe ik aankeek tegen het fenomeen kritiek en de bejegening door anderen sedert ik die functie vervulde. Mijn bijdrage begon met de zin, waarmee ook deze beschouwing opent, en eindigde met Oscar Wilde: “Men kan nog eerder een vrouw of een grafschrift geloven dan een criticus vertrouwen.”

Extremen
Op de persoonlijke elementen wil ik, althans in deze context, niet ingaan, hoezeer deze ook hebben bijgedragen tot verder inzicht in de vele diepten en de weinige hoogten in het wezen van het gemeenste — en mede daardoor — gevaarlijkste van alle roofdieren: de mens.
Wat ik aan uitersten heb gesignaleerd, is verbijsterend: nuances behoorden tot de categorie onbetaalbare antiquiteiten, en de dwaasheid van het ene extreme was inwisselbaar tegen die van het andere: of je werd op handen gedragen, en kreeg bijna een nimbus aangereikt — want binnen enkele weken na mijn aantreden in de kolommen van die (voor mij toen nog, doch slechts heel kort, enige) krant wist bijna elke organisator van concerten in de wijde omgeving van de noordelijke metropool wie ik was en hoe ik eruit zag —, of je werd heel korzelig bejegend: of kritiek nou zo nodig was, of je het fijn vond altijd zo negatief te zijn (wat overigens in nog geen tien procent van de gevallen zo was), en of je zelf ooit dat ‘gekraakte’ orgelstuk misschien al eens beter had uitgevoerd. . .

Onverstand
De recensent kon niet schrijven en had geen verstand van datgene waarover hij oordeelde. En uiteraard was het een schande dat zo iemand zomaar een mening verkondigde. Maar kritiek op de kritiek was niet alleen geoorloofd, maar vanzelfsprekend, immers "héél wat anders!"
Het meest opvallende element was, dat als je op bepaalde concerten géén acte de présence had gegeven, de ochtend erna men wel naar de krant belde of de recensie “vandaag of morgen” zou komen, enzovoorts. Men verlangde naar nieuwe teksten van het onverstand. . .

Reactie
Zo ben ik aangeland bij de opvatting van Rina van Dijk, die in haar recatie op Column 207, De Professor weet het beter — een leuk, anekdotisch gebeuren in het leven van drie protagonisten uit het literaire München, nu zo’n 75-80 jaar geleden. Zij stelt, dat de professor misschien wel gelijk had met zijn opvatting dat interpretatie geen taak van de dichter, maar van de criticus was.
Welnee! Noch de professor, noch Rina van Dijk heeft in deze gelijk. . . Maar je kunt met evenveel doodsverachting de stelling verdedigen dat zij beiden gelijk hebben. Kan zoiets dan? Ja, als het besef maar wel daagt: beiden ‘slechts’, dan wel ‘zelfs’, voor vijftig procent.

Functie
De functie van de kritiek heeft haar plaats in de maatschappij, zowel in de zin der filosofie, als die welke de vorm aanneemt van interpretatie, en tevens die van beoordeling. Zo heeft elke vorm van kritiek bestaansrecht, mits deze de feiten die, op welke wijze dan ook, een rol spelen bij het ontstaan van enig (kunstwerk), geen geweld aandoet. Dat is de objectieve kant van de zaak der kritiek, voor de rest is alles slechts een kwestie van subjectiviteit.
De beoordeling door derden — welke dan ook — beperkt zich ook hier helaas tot twee uitersten: de ene groepering verklaart de kritiek heilig en onaantastbaar, volgens anderen is nu juist 'de criticus' de enige die nooit iets van een roman, gedicht, een film of concert, een schilderij of toneelstuk heeft begrepen. De gulden middenweg en alle nuances daaromheen zijn ver te zoeken.

Klabund versus Kutscher en vice versa
We zullen het in casu Kutscher versus Klabund niet kunnen reconstueren, dus blijft het gissen, en is mijn vraag in principe slechts een retorische: had de professor geweten dat Alfred Henschke de dichter in kwestie was, zou hij dan ook zo hebben gereageerd? Aannemelijk in de ons inmiddels bekende situatie is, dat het niet zo ver zou zijn gekomen omdat de professor — ongetwijfeld vol trots dat hij Klabund kende en hem ook nog eens zelf als dichter had ontdekt — hem in het gebeuren zou hebben betrokken, niet meer overdonderd had kunnen raken — want overdonderd was-ie, en dat zegt al heel veel — en, mede gelet op Kutschers welwillende houding ten opzichte van het nieuwe in de literatuur, zou die hele geschiedenis — met eventueel dezelfde waardering en dezelfde opgetogenheid — nou nèt een ander verloop hebben gekregen.


Polyinterpretabel
Het geldt zeker niet voor alle poëzie, maar een dichter die letterlijke of figuurlijke beelden omzet in tekst, heeft vanzelfsprekend het volste recht deze te interpreteren en zijn (subjectief ondergane) bedoelingen kenbaar te maken.
Poëzie mag, wat mij betreft graag, voor velerlei uitleg vatbaar zijn. De lezer heeft recht op eigen, letterlijke en/of figuurlijke, beelden bij het ondergaan, en als gevolg daarvan het interpreteren, van de eigen gevoelens. Dat zoiets bij ieder een volstrekt ander resultaat kan opleveren, is alleen maar een aanwinst. En als zij of hij door de combinatie — van datgene wat wordt aangereikt in tekst, en het resultaat van het ‘uitwerken’ in een conglomeraat van grijze cellen — ook nog eens wordt geprikkeld, is een der belangrijkste functies die literatuur heeft, zo en passant gerealiseerd.

_________________________________________________________
Foto 1976: Husky-herder Bor ging altijd mee naar de redacties, niet alleen in Groningen, maar ook in het Gooi, in Amsterdam, Brussel, Luxemburg en Duitsland.


Zie ook: http://www.bloggen.be/cultuursfinx/

schrijver

Schrijver: Heinz Wallisch, 02-06-2007



balBiografie van deze schrijver





Geplaatst in de categorie: kunst

Deze inzending is 414 keer bekeken

3/5 sterren met 1 stemmen.


Print   |   E-kaart   |  







Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

Naam:       E-mail:  

Bericht:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)









vragen  |   links  |   zoek  |   contact  |   disclaimer  |   inhoud  |   rijmwoordenboek  |   gedichten.nl