Inloggen

biografie: Gerrit Achterberg

[1905 – 1962]

 

In  1905 werd in de koetsierswoning bij kasteel Sandenburg in Nederlangbroek (Utrecht) Gerrit Achterberg geboren. Hij was de derde zoon van Hendrik Achterberg en Pietje van de Meent die al twee jongens hadden gekregen en later nog een jongen en vijf meisjes zouden krijgen.

Op zijn vijfde jaar viel Achterberg van een hoge trap en was een paar dagen bewusteloos, wat hem op zijn zestiende nogmaals overkwam.

Gerrit ging naar de openbare lagere school –  met een christelijke inslag - te Nederlangbroek. Achterberg ging verder leren voor onderwijzer en zat vanaf 1920 op de christelijke Jan van Nassaukweekschool in Utrecht. Achterberg had goede cijfers behalve voor gedrag en vlijt. Tijdens de vierjarige opleiding woonde Achterberg twee jaar op kamers bij zijn oom en tante Schoonheim. Door het werk van zijn oom te volgen deed Achterberg voldoende vakkennis op voor het schrijven van zijn bundel 'Ballade van de gasfitter'(1953).

 

In 1924 deed Achterberg met succes onderwijzersexamen. Hij werd aangenomen op de Bijzondere Lagere School voor Hervormd Christelijk Onderwijs te Opheusden. De mensen in het dorp vonden Achterberg een in zichzelf gekeerde man.

Gerrit Achterberg ontmoette Johanna Catharina van Baak (1908). Zij kregen een verhouding en verloofden zich. Enige tijd later ging die relatie uit en begon hij een verhouding met Bep van Zalingen (1909).

In 1927 moest Achterberg zich  melden in Amersfoort bij het zestiende regiment infanterie. Na een maand kreeg hij een herkeuring en werd afgekeurd wegens ‘zielsziekte’.

In deze tijd werden er gedichten van Achterberg gepubliceerd in  'De Gids', 'Opwaartsche Wegen', 'Groot Nederland' en 'Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift'. Op school functioneerde Achterberg steeds slechter en hij had zijn hoofdakte nog steeds niet gehaald. Achterberg vond de literatuur  belangrijker dan zijn schoolwerk.

Achterberg kon in 1930 een baan krijgen in Den Haag aan de Paul Krugerschool.

 

Achterberg debuteerde officieel met de bundel 'Afvaart' in 1931. De critici vonden het werk vaag, eigenaardig maar ook zeer dichterlijk. Ze vonden een gelijkenis met het werk van A. Roland Holst en Leopold. In maart 1932 deed Achterberg belijdenis van het geloof in de Nederlandse Hervormde kerk. Achterberg raakte in een crisis door de tegenvallende verkoop van 'Afvaart' en de weigering van publikatie door 'de Gids'. Hij raakte in conflict met Bep en schreef minder. Langzaamaan vervreemdde Achterberg van de werkelijkheid. Hij depersonaliseerde. Hij worstelde met zichzelf. Toen Bep hem vertelde dat ze zwanger was, mishandelde hij haar. Bep verbrak de relatie toen bleek dat ze niet zwanger was.

 

Achterberg was nu eenzaam en schreef nauwelijks. Het schoolbestuur besliste dat Achterberg zich onder behandeling van een psychiater moest laten stellen.

In 1933 vraagt Achterberg ontslag aan, wat hem eervol wordt verleend. Achterberg koopt in Den Haag een pistool en gaat op zoek naar Bep met wie hij de relatie wil herstellen. Hij wordt door de politie gearresteerd en overgebracht naar de psychiatrische kliniek de Willem Arntszhoeve in Den Dolder.

 

In 1934 krijgt hij een baan als Ambtenaar derde klas bij de administratie van de Crisis Vee Centrale te Utrecht. In Utrecht leerde Achterberg Roelie van Es (1897) en haar dochter Bep kennen. Achterberg kreeg met haar een relatie en huurde bij haar een kamer. Achterberg schoot zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak Roelie van Es neer en verwondde haar dochter.

 

Hij meldde zich zelf bij de politie en werd door de rechtbank in 1938 ter beschikking van de regering gesteld (TBR). Achterberg werd opgenomen in het Rijksasyl voor Psychopathen  te Avereest. Achterberg bleef schrijven en in 1939 kwam de bundel 'Eiland der ziel' uit. De kritiek was minder positief dan bij de bundel 'Afvaart'. Het was inmiddels 1940 geworden en Achterberg deed pogingen om vrij te komen. Tevens hield hij zich bezig met een nieuwe bundel 'Dead end'.

Achterberg zou opnieuw psychiatrisch worden onderzocht maar doordat Nederland inmiddels in de Tweede Wereldoorlog was betrokken werd dat uitgesteld en de TBR met twee jaar verlengd. De correspondentie met Marsman was gestopt door diens tragische dood. In 1941 ging het wat beter met de patiënt. Hij kreeg een herkeuring en publiceerde twee bundels Osmose (al gepubliceerde gedichten) en Thebe. Achterberg werd in 1941 overgeplaatst werd naar de Christelijke Rekkense Inrichting te Eibergen.

In 1943 ontmoette Achterberg zijn vroegere vriendin Cathrien van Baak. Zij kregen opnieuw een relatie. In  1944 verhuisde Gerrit naar een pleeggezin in het rustieke Neede, waar hij een gelukkige tijd zou hebben mede door de contacten met de plaatselijke notabelen. 

 

In juni 1946 trouwden Achterberg en Cathrien. In datzelfde jaar verschenen van zijn hand maar liefst vijf nieuwe bundels. ( 'Stof', 'Radar', 'Sphinx', 'Energie ' en 'Existentie'). In 1947 raakt Cathrien zwanger. Achterberg reageerde zeer emotioneel en moest een paar dagen in Rekken worden opgenomen. Het kind werd in augustus geboren maar leefde slechts een paar uur. Achterberg schreef hier een gedicht over: Kindergraf. Hij was zo graag vader geweest.

 

In de jaren 1947-1952 verschenen nog een aantal bundels waaronder 'Jezus schreef in 't zand' (1947), 'Hoonte' – een gebied in Neede -  (1949) en Mascotte (1950).

In 1949 ontving Achterberg voor 'Jezus schreef in 't zand' de P.C. Hooftprijs. Cathrien en hij  verhuisden in 1953 naar Leusden waar Gerrit Achterberg nog bijna negen jaar zou wonen. In 1952 werd de tbr-verklaring met twee jaar verlengd totdat deze in 1955 werd ingetrokken. 'Cenotaaf' verscheen in oktober 1953.

In 1954 ontving Achterberg voor 'Ballade van de gasfitter' de Poëzieprijs en in 1959 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk.

In 1961 verscheen nog het 'Vergeetboek' en de verzamelbundel Cryptogrammen IV. 

Op zeventien januari 1962 overleed Gerrit Achterberg op zevenenvijftigjarige leeftijd aan een hartaanval.  Hij is  begraven in Leusden.

 

illustratie:

woonhuis van Achterberg in Neede.