mag ik huilen
wanneer een woestijnroos
haar traan heeft laten vallen
mag ik voor haar knielen
wanneer zij een blad verliest
mag ik voor haar bidden
wanneer zij de koude van de nacht
moet overleven
en mag ik voor haar sterven
wanneer de zon
haar traan ontneemt…
Ontdaan van grijs macabere dans
verdrongen strepend licht
dat wankel schrijvend dicht
de hemel van zijn verloren glans.
Onder de nacht van schetsend zwart
onttrokken van haar zomergewaad
het roodomrand het zuiver agaat
getroffen in haar verlaten hart.
In dromen kan ze nog enkel zweven
maar dichterbij begint het leven
in sterren schijnt…
zij verzon stilte
op het dromenkleed
van gewezen bloemen
tekende zandcirkels
over het venster heen
waar schaduwschelpen
haar gezicht omringden
alleen in de vallei
hoor je nog krekels zingen…
(voor Gerbrand Adriaanszoon A. Brederode (1585 - 1618))
Na vijf eeuwen snoep ik nog zijn brede faam, hoe hij, maar schalkgedachtenvanger, ziek van de bittere kou en sufgelezen zijn koesterende verzen telde zoals anderen hun zwaar verdiende goudbrokaten, getergd door de rechtlijnige gedachten van weergaloze branieschoppers in stinkende kledij.…