Inloggen

biografie: Ben van Althuis


Inzendingen van deze schrijver

4 resultaten.

Geen keus

verhaal
2,9 met 9 stemmen 409
‘Mijn hond is dood’, sprak de man mij aan op het bankje in het park. Ik keek verbaasd. Naast de bank stond een jonge teckel, alles behalve dood.
‘Nee, niet de hond die ik nu heb, mijn vorige hond’, zei de man verklarend. ‘Verwarrend hè? Ik bedoel de vorige, terwijl ik in het nu praat; alsof Joris er helemaal niet is. Joris is mijn nieuwe hond.’
Hij wachtte even, aaide de teckel over zijn kop en ging verder: ‘Maar ja, als mijn vorige hond geen spuitje had gehad, was Joris er niet geweest. Althans, niet bij mij.’ Hij keek mij aan alsof hij zich er van wilde vergewissen dat ik alles goed begreep.
‘U kende mijn hond toch? U kwam hier toch ook vaak - met dat witte Whisky hondje?’...

Onrustig

verhaal
3,0 met 1 stemmen 269
Ze zat aan een tafeltje tegenover ons. Ik schatte haar een jaar of vijftien. Wat bleekjes, niet onknap en alledaags gekleed. Voor haar stond hedendaags tienervoedsel: een blikje Red Bull en een hamburger. Van het laatste was slechts een enkele hap genomen. Kennelijk was het er niet van gekomen de maaltijd af te maken. In haar armen lag een baby van een maand of tien. Het kind huilde. Het meisje deed haar best de kleine te troosten en tegelijkertijd probeerde ze het een speen tussen de lippen te wurmen. Beide lukte niet erg.
Mijn vrouw keek mij aan en zei zacht: ‘Snap je dat nou, zo’n jong kind, en nou al moeder?’
Ik knikte, hinkend op twee gedachten. Aan de ene kant onderschrijf ik de gedachtegang van mijn vrouw: een meisje van die leeftijd moet genieten van alle dingen die het leven haar te bieden heeft, zonder de zorg voor een kind. Aan de andere kant; ik kende haar niet. Misschien was het een bewuste keus en was ze heel gelukkig.
‘Je kunt mij niet vertellen dat dit tegenwoordig nog hoeft’, vervolgde mijn vrouw. ‘Vroeger sprak je van een ongelukje en je liet het ook niet zomaar weghalen. Veel meisjes dorsten het niet eens te vertellen. Maar tegenwoordig..?’...

Visserslatijn

verhaal
3,0 met 6 stemmen 356
Wetend dat ik nu tegen een muur van onbegrip oploop bij sportvissend Nederland, moet ik eerlijk bekennen dat ik niets heb met vissen. Nou bedoel ik niet de diersoort die met deze benaming wordt aangeduid. Op zich vind ik deze koudbloedige zoogdieren best aardig om te zien. Een aquarium vol gekleurde koraalrakkers kan mijn aandacht wel enige tijd vasthouden – al hebben ze weinig te vertellen. Ook als voedingsmiddel heb ik geen probleem. Een gebakken scholletje, wat kibbeling, of een goeie zoute haring – met de nodige uitjes – laat ik graag mijn tong strelen.
Ik bedoel vissen als werkwoord of als sportbenaming. In beide toepassingen zit een discrepantie. Als er íets is waarbij werk overbodig lijkt, is het vissen. Het op je luie kont met een hengel langs de waterkant zitten kan toch moeilijk als werken worden gezien. En als sport zie ik het al helemaal niet. Wie kan zich voorstellen dat de NOS ooit de Olympische finale vissen verslaat, met op het ereschavotje drie karpers omhangen met goud, zilver en brons? Nee, ik heb niets met vissen en ik vind het eigenlijk ook een beetje zielig.
Afgelopen zondag doorkruiste deze visnegatieve overdenking mijn hersens toen ik een rij hengelaars in de polder langs de vliet zag staan. (En vooral zitten.)
Na het merendeel voorbij te zijn gelopen bleef ik staan bij een wel héél bijzonder exemplaar. Terwijl ik zijn collega’s hoofdzakelijk gehuld zag in onopvallende regenkleding, zocht hij bescherming tegen de elementen in een lange kanariegele jas met drie lichtgevende strepen. De jas zou de eerste de beste verkeersregelaar niet misstaan hebben. Alleen zijn hoofd was bedekt met de donkergroene camouflagekleuren van een klein vormloos hoedje waarvan de rand over zijn gezicht hing....

Toiletpapier

verhaal
4,1 met 7 stemmen 337
Voor we weggaan roept mijn vrouw uit de keuken: ‘Help me even onthouden, het toiletpapier is op.’ ‘Schrijf het even op’, roep ik terug. ‘Ja.., ik heb nou mijn schoenen al aan’ hoor ik haar tegenwerpen. De logica ontgaat mij volkomen. Maar dat gebeurt vaker, dus houd ik verder mijn mond. Mijn vrouw is ondoorgrondelijk in haar argumentatie en ik heb - na zoveel jaar -het tegenspreken afgeleerd.
Zaterdagmiddag is het vaste moment van de week dat wij gezamenlijk de supermarkt met een bezoek vereren. Niet dat we de rest van de week in een bocht om dit soort winkels heenlopen, maar de laatste dag van de week is traditiegetrouw onze bevoorradingsdag. In de auto vraagt ze: ‘Heb je de kratjes in de auto gelegd?’ ‘Ja’ zeg ik, ‘en ook een tas.’ Dat klinkt vindingrijk, maar ik weet dat mijn vrouw altijd meer koopt dan ze van plan is.
Na het zoeken van een parkeerplaats worden we vriendelijk - maar onverstaanbaar - begroet door een vrouwtje wier wieg ontegenzeggelijk niet in dit land heeft gestaan. Ze probeert mij een daklozenkrant te verkopen al vóór ik de winkel binnen ga. Helaas voor haar zie ik aankomen dat er tijdens het winkelen van lezen weinig terecht zal komen, dus groet ik terug maar loop door. Inmiddels heeft mijn vrouw een winkelwagentje bemachtigd en gezamenlijk nemen we het tourniquet.
‘Weet jij of we nog thee hebben?’ vraagt ze. ...