Appelona, hoe lang
Zult gy blijven zo stuurs, zo wrang?
Hoe lang al even trots?
Gelijk als een harde rots,
Die 't zee-gewelt op zijne borst doet breeken,
Zo wrevel staat gy voor mijn zuchte en smeeken.
Hoe dikmaal zach my de Maan
Voor uw vensteren waaren gaan,
In het diepste der nacht,
En aanhoorden mijn minne-klacht!…
ik bid uw Cupidootje
Gy kleyne Sielen-vooght, gy machtigh wonder
Goodtje!
En steltse in mijn borst op sulken even maet,
Dat daer op pols, en mild, hert, longh, en lever
slaet.…
Maar wilt gy de oorzaak daar van weeten?
’t Ziet gekken voor poëeten aan.” **
Hare ogen waren betraand van al het schone hier ten gehore. Haar wangen glunderden van kunstzinnigheid en artisticiteit in haar genot.
Nu stond zij volstrekt in lichterlaaie en zij stortte zich boven op mij.
En ik, ik stortte mee. Met het glas nog in de hand.…
Wat echt telt was zijn meesterschap over de taal:
'Kusjens
Hoor nu, hoe gy in den gloed
't Kussend mondtjen zetten moet,
Om het zoetste zoet te koopen.
Niet te dicht, en ook niet open.
Laat één plaatsjen (zoo is 't wel!)…