Desgevraagd vertelde mijn moeder mij dat het looporen waren, waarschijnlijk een gevolg van ondervoeding tijdens de winter ’44-’45.
En dan . . ., ach daar gaat de fluit. De wandeling kan beginnen.…
De wandelaar z'n walkman speelde pop;
z'n loopoor ving de blije klanken op.
De zeeman had aan 't waterhoofd een hekel.
Een zoutarm had de producent van pekel.
Een knipoog was 't, waarmee de kapper keek,
die voor de wipneus van de hoer bezweek.
De priester deed het niet, want die was kuis.
De man hield stand. Hij had een heilig kruis.…