Daar stond ik dan
gespannen als een veer
mooi te zijn
voor jou alleen
wachtend
op je komst
ogen priemden in mijn rug
stemmen fluisterden
tot jouw stem klonk
ogen zochten de mijne
open en blij keek ik je aan
blauwe ogen weerkaatsten kil
in de mijne
je liet me staan
als een hond
achtergelaten
in een bos
natuurlijk
leef ik met je mee…
Het was
in een ver verleden
dat ik je tegenkwam
Zo ver weg, en toch dichtbij
gevoel, gedachten, geluk
samen en toch alleen
Pijn, verdriet en onmacht
boren in mijn ziel
een donker gat
Misschien kom ik je
opnieuw weer tegen
op een verlaten weg
En is er weer licht
aan het einde
van de horizon
En kunnen we samen
herinneren, voelen…
O zomeravond, smachtend neergevlijd
op 't gele veld, in 't Westen goudgetint...
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt...
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind...
O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer...
Zo schouwt mijn geest…
Traantjes op haar vieze jurkje
Handen op haar kleine lijfje
Gillend van onmacht
Een schreeuw van verdriet
Nauwelijks wetend wat er gebeurde
Of nog gebeuren zou
Struikelend over de grote stenen
Stort ze op de grond
Haar kleine hartje
voor het leven verminkt
Snikkend zet ik de tv uit
En ga lekker slapen…
Een litteken op een hagelwitte huid
Schrammen nog zichtbaar
Pijn, zo duidelijk aanwezig
Over het sprankelend blauw
Een grauwe grijze dauw
Zwart, ook in jouw bezit
Zo contrasterend met het vuur,
Het felle rood van passie
Weerkaatst
Weerspiegelt niet in sprankelend blauw
Slechts een paarse stip vaag zichtbaar in de mist
De vuurzee raakt het…
- Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed -
Dit is de eerste regel van het eerste vers uit 'Het lied der achttien dooden' van Jan Campert (1902-1943).
Een excursie naar een gevangenis in mijn woon-, werk- en leefomgeving heeft mij deze waarheid doen ervaren. Na een kennismaking met dit lied (der achttien dooden) wilde ik wel…