Ik vraag je niet naar smaak, ik vraag je naar dikte van huid. Laat me dan vallen, de meeuw over me vliegen. Tot je terug komt, me herkent onder mijn blauwe vel.…
De stad hing grijze straten uit, suiker
briesjes aan de spoorlijn, een nacht.
In de lampbol van verre flat: man,
wachtend voor miezerige bietenfabriek.
Ik gooide mijn fiets aan de kant, wankel
en herkende een stem uit een ander vroeger.
Hij gaf mij een hand, en zei dat hij het was:
eerste pianospeler, sad septembersong.
-------------…
Dat het dichterbij kwam, daar
waren we wel zeker van. Als duin
zou het in ons huizen. En al
vielen meeuwen vaak uit wolken,
het was er, naderde en naderde.
Zoveel wisten wij.
Het pad, zeker, we tekenden het.
Zo zou het zijn. Alles was in kaart
gebracht en dan zouden we gaan.
Veters gestrikt. Fiets mee. Naar
zee, naar zee waar alles begint…
Dat het dichterbij kwam, daar
waren we wel zeker van. Als duin
zou het in ons huizen. En al
vielen meeuwen vaak uit wolken,
het was er, naderde en naderde.
Zoveel wisten wij.
Het pad, zeker, we tekenden het.
Zo zou het zijn. Alles was in kaart
gebracht en dan zouden we gaan.
Veters gestrikt. Fiets mee. Naar
zee, naar zee waar alles begint…
vroeg voorjaar breekt zich het hoofd
over de torens
duiven staren zich wezenloos op de stigmata
ze schijten op het kruis
in het hoge voorportaal ruikt het
naar gecastreerde heiligen
nu verbind me neem me mee nu
vleugels raken de deuren
als je opstaat
---------------------------
Dit gedicht van Albertina Soepboer (1969) verscheen in…