Hoofdstuk 1
Het was op een vroege morgen. Heel langzaam kwam de zon op. Voorzichtig stuurde hij zijn warme straaltjes over de koude grond. Héél zachtjes en heel stil. O, ’t was zo mooi! Eerst het ene straaltje, en toen het volgende, en toen nog een… en toen, o, toen waren er wel duizend straaltjes! Vrolijk scheen de zon op het natte, frisse gras…
Met al de kracht die nog in zijn lichaam aanwezig was, duwde hij moeizaam zijn ogen open. Kijken! Dacht hij vermoeid, blijven kijken! En hij keek, zijn angstige, blauwe ogen richtten zijn blik op de bewolkte hemel. Maar hij zag het niet. De grijze wolken maakten langzaam plaats voor kleuren. Groen, geel en oranje flitsten door elkaar heen. Hij probeerde…
De wind wappert
Door de glanzende haren
Om het stralende gezicht
Vrij als een vogel,
Met vertrouwde bewegingen
Op weg naar de wolken
De zon, ver weg
Speelt met de schaduw
En knipoogt omlaag
Een vrolijke lach
Vanaf de schommel
Die steeds hoger gaat
Maar dan…
Een scheurend touw
Gevolgd door een klap
Verbreekt de rust
De wolken…