In klamme droom zoek ik
Een harnas te ontwerpen waarin
Niemand me kan treffen, bouw ik
Schuilkelders in lood, huil ik
Om een idee een woord die zouden
Een zachtaardig dier verwekken.
's Morgens schijnt mijn angst misplaatst.
De bomen staan er rustig en zelfzeker.
Even zelfzeker haten
De kinderen elkander.
Een bang mens stemt de buren…
Dertig seconden voor je hart stilviel
Sprak je, dacht je, en waar sterf je nu,
Waar zwerft
Het onomschrijfbare dat je nu bent?
Welke agonie leeft nu stom
In je dode tong en lip?
Je wil ons horen,
Je wil ons zien.
Ik neem je bijna koude hand.
Als je me voelt, ben ik ijs
Tegen het ijs van je eenzaamheid.
------------------------------…
In dit huis wil je blijven wonen en sterven.
Je moeder schonk je de luiken, je vader
Heeft tot zijn tachtigste in de tuin gespit.
Nu zijn ze verdwenen ergens in jou, op een plek
Waar ze niet moeden dubben en peinzen
En waar ze in een lieve stilte luisteren
Naar een lang ironisch verhaal.
Ze overwegen te verhuizen naar je kinderen.
----…
Tijd: uiteindelijk
Zijn we er zonder wrevel in gevangen,
Samen in dit kleine huis, verzoend
Met de jaren van blindheid en schuld,
Bevrijd
Van de sintvitusdans
Op het ritme van de angst.
Van buiten de muren komt ons eens geruis.
Is het de wind?
Of is het de nacht waarin we,
Tijdloos ver in de ruimte,
Nooit meer blind zijn,
Nooit meer schuldig…