Een kleur zijn ogen nu zij wind zijn,
het licht uit lucht gesneden.
Lang gras, nog levend hooi,
verminking waar oogst begint.
Ik groef in kleur waar vol de lucht,
in wind waar vol het gras van is,
in golvend gras, in slapend gras,
ik bracht zand aan het licht,
verpulverd weefsel, vacht om in te slapen.
Blad viel, sneeuw viel de bladeren…
Zo oud niet of hun jeugd treurt in de wilgen,
het water spiegelt ze nooit rimpelloos,
het gladde blad en niet bladerloos,
het is een dak waarover zij zich spreiden,
waarop een eend in landschap weggezakt,
met een gevluchte in de grond bevriend,
laag water zoekt en boven water tracht
een nieuwe eend te vinden die haar dient…