Buiten mist. Het ratelen van de wielen
verhult alle geluid hierbinnen.
Ik kan niets meer horen.
Blikken ontwijken me, naamborden ontglippen me.
Op goed geluk moet ik er straks uit.
Het is er weer, dit stollen,
na langdurig het hoofd te hoog
te hebben gedragen.
In mijn bagage,
mijn dagboek,
ontvleesd verleden, een herbarium vol bladskelet…
Het stak de kop op, toen een onverwachte zonneschijn
over de meubels viel, die al vijfentwintig jaar in de
kamer stonden.
Nu aangeraakt door de gestrekte wijsvinger van het
licht.
Ternauwernood verdroegen zij deze zachte
liefdesverklaring.
Ze wilden alleen donker, waarin welwillendheid,
mededogen voor hun brand- en mottengaatjes…