's Namiddags zagen we haar staan
aan de drukke hemel, boven de helle daken:
verdwaald, lauw en flets had de maan,
het dient gezegd, toen allerminst iets van een baken.
Misplaatst als een kikker op een racefiets,
een smeltende, vale, in een dof laken
gewikkelde bol kaas, hinkend naar niets
via zenit* en nadir*, geenszins blakend.
En later…
Gearmd en vol geest lopen we richting zon.
We hebben contracten te vieren en legaten
Die we onze doden vermochten aan te praten.
We zijn nu rijk. Echt waar! Alles wat nooit kon
Kan nu wel. We bliksemen volleerd als goden,
Bestieren hemel en hel. We stelen liefde
En planten haar snel diep in onze buik. Mijn lief, de
Koning benijdt ons. We zijn…
Het was niet onaangenaam,
beroemd zijn.
Men hield de deur voor je open,
men schudde je de beide handen
tot vervellens toe,
prees de boezem van je vrouw,
je had altijd plaats op trein, tram en bus
en hoefde die nooit te nemen,
de citroenen in de buurtwinkel
waren eensklaps gratis,
net als het expresso-apparaat twee deuren verder
en de…