‘Zo immer met ons tweeën,
Vrouwlief, in paradijse rust,
Der wereld vreemd, en onbewust
Van hare kampen, hare weeën…
Dat ware een leven vol van lust,
Met ons tweeën!’
Zij sprong mij op de knieën,
En zag mij aan, zo zoet, zo teer!
En sloeg dan weer hare ogen neer,
Als wou ze mijne blik ontvlieên…
En fluisterde, zo zoet, zo teer:
‘Met ons…
Wanneer ik weeldedronken
mijn rozig kind beschouw
en die ‘t mij heeft geschonken,
mijn aangebeden vrouw,
zo vraag niet wie van beiden
mijn hart het meest bemint…
Mijn hart en kan niet scheiden
de moeder van het kind.
Ik doe mijn armen open
en sluit ze er in bijeen,
en vreugdetranen lopen
mij langs de wangen heen…
Ach, wist gij, spreek…