in deze eindeloze vlakte
waar tekens door het luchtruim zweven
totdat zwaartekracht hen op de knieƫn dwingt
en ze samensmelten tot een ongenaakbaar fort
in deze vlakte zonder begin of einde
waar het laaiend wit onverbiddelijk op poorten beukt
totdat de storm uitgeput gaat liggen
en ik mijn oren niet langer verborgen houd
in deze eindeloze…
vastgezeten in een kooi van ijzer
voortbewegend over lange, strakke banen
vergezeld door illusie,
weter van waar-en-daar-naar-toe
glas en blik
verdwalend in een onwerkelijk landschap
waar niet op me wordt gewacht
droefheid sijpelt gestaag in mijn hart
als illusie laf de benen neemt.…
ik loop door de straten
en zoek naar mijn naam
de deuren gesloten
een hond blaft naar de maan
ik loop niet meer daar buiten
ik ben het zoeken verleerd
mijn naam zal ik niet kennen
opnieuw in mezelf gekeerd…
in dit gedicht
temidden van al dat zwijgend wit,
argeloze tekens en onbeduidende letters
wil ik wonen
binnen deze versteende ommuring
bevolkt door aaneengeregen woorden en
kabbelende zinnen
wil ik blijven
tot ik verstom
als het wit me verblindt…