met een overdosis leven
wandel ik dit huis weer binnen
enkel mijn wonden
spreken hier de waarheid
kan mijn klagen tot
deze muren nog horen
nu de gangen vol
met stilte zijn geslagen
een hand op mijn schouder
roept mijn gedachten uit de tuin
dekt me toe met medicijnen
terwijl de wereld uit me wegtrekt
begin ik al minder
naar…
ik kan de dood
wel beschrijven
hij zit weleens
bij mij thuis
helpt me met zoeken
naar mezelf
dan graven we samen
dieper en dieper
in mijn voortuin
tot een van ons lava vindt
hij zegt dan
dat leven een ziekte is
en dat hij niet weet
hoe lang het nog
zal duren
voordat ik
op mijn eigen
doden benen kan staan…
Ik ben de kale plek
in het bos
mijn voorvleugels zingen
als ik opstijg
hoor ik de ozon gapen
en maak ik krekels jaloers
ik beloof wat tijd
te vieren
op weg naar vrijheid
noem me een beest
maar ik zal
aan de hemel voelen…
De klok
tikt zijn batterijen weg
een kaars wakkert
tot hij in zijn
eigen vlam stikt
de televisie ruist een
storingsalfabet
tot hij voor de stand-by
modus zwikt
Bedorven vlees rust
op botten
waar maden paraderen
en de aanrechtsresten
verteren
muziek sleept zich
door open deuren
het ritme kan niemand
meer deren…
Herfstbladeren volgen
de weg en
vallen tegen de
glinsteringen van de zon
als de ochtend
in het donkere bos
een lichtinval laat breken
ontvangt een brievenbus
post van
de volgende dag
Een schoolbus passeert
van achter glas
zien kinderen
een zebrapad van
boomschorsschaduwen
zij volgen zijn sporen
vervallen in de
weg…
Ze ligt op het ziekenbed
de dood ademt stil
ouderdom heeft
haar huid betast
kippenvel verkleedt mij
in dit moment
ik streel haar ongezien
ze herkent mij
als een genode gast
Haar ogen zijn verblind
ze heeft teveel gezien
ik pak haar hand
en voel het leven passeren
als een hoge koorts
ik wil haar uitnodigen
waar lachrimpels…
Waar zand zuchtend
op en neer kruimelt
in het blauwe bloed
van de zee
daar drijven
mijn gedachten
op de punt van
mijn gebroken potlood mee
ik kleur de lucht
tot aan de horizon
waar twee voorbijgangers
hoeven uitstuiven
hun haren geweven
in de wind
en de golven die
hun slagen toewuiven
ik zie het duister
op papier…
Ik zie ruimte
waar leegte heerst
tijd wentelt voorbij
als ik mijn lippen
zilt van zuchten droog
en morgen weer jarig is
ik leef mee tot
er bloemen op mijn
schoenen groeien
en ik de vraagtekens
bewandel die jij plaatst
Je hebt mij moe gepraat
in jouw vragenboeien
geslagen en
als mijn antwoord
schuldig blijft
wrijf je mijn…
Passie stuitert
voort op kurkenhout
scherven vullen
een groenschijnende glans
in lantaarn licht
op het houtenbankje
slaapt een man
zijn roes uit
op de voorpagina van
zijn krantendeken
De Maas fluistert
over de keien
als een schip de rivier
van zijn geweten dregt
en golft
de fonkelingen
van de maan
in streepjes mee…
Een schommel
waait nog na
in het winterse briesje
verdriet tocht er
door kieren die
geen deuren hebben
een bal rolt
en geen voet die
hem wegschiet
Vanuit een wak
kijkt het water glazig
de bevroren tranen
uit de treurwilg
vandaan
hij staat verstijfd
van de harde regen
die zijn schors
doet beslaan
Verre klanken…
Ik rol
het rode hoopje jou
door mijn handpalmen
en boetseer al je vormen
ik kneed
de mooiste lach
die ik je kan schenken
en kerf geluk in je ogen
welke nooit
zullen wenken
Ik plooi
de tijd in je gezicht
en vlechtpatroon
jouw haren
ik vouw kleding om
jouw lichaam
om je hart
van klei te bewaren
Ik bak
een witte blos
rond jouw wangen…