Ik belde eens, na een wanhoopsnacht
vol angst en liefdespijn,
mijn beste vriend: waar of die dacht
dat mijn Jeanette kon zijn.
Ach! ik had me weer eens op hol gebracht
om niks. Om mijn ziek brein.
Want dáár klonk, slaperig, héél zacht,
Jeanette over de lijn.
----------------------------------
uit: 'Van harte beterschap', 1982.…
"wat 'n treurigheid! O, het is niet waar
toch?", snikte de psychiater.
"En dat heeft u al van uw derde jaar?
Ging dat nooit eens over later...?"
Ach, ik zei maar snel dat het overging
en haalde een glaasje water.
---------------------------------------
Uit: Zand erover…
De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand;
droef peinst zijn baasje bij een glas genever.
Er hangen duizend boeken aan de wand:
’t Geluk was hier bepaald geen gulle gever.
Op straat waaien geluiden van een feest:
een schrille lach; er valt een glas aan scherven.
Maar binnen zingt het wenen van het beest
en zit zijn baas al uren te versterven…
Ik hier alleen. Jij in Den Haag.
Zijn of Azijn. Dat blijft de vraag.
Zij zat van Amsterdam tot Hollands Spoor te breien,
o lief gezichtje! Vlijtig slonk de kluwen wol.
Ik lag in 't bagagerek schuin boven haar te schreien,
't liefst kroop ik naast haar, maar de hele trein zat vol.
'k Zoog op mijn kaartje, ach! ik kon geen smoes verzinnen…