In de verbeelding komen ze. Gearmd.
Over de loopplank. En schikken
zich. Een stil rumoer van benen
over benen. Zwart water klopt aan ramen.
Ze hadden het over jou, een dikke warme
zomer lang. Twee tuinen verder. Hikkend
van de lach wierp één haar bal. Op hun tenen
stonden ze. Bij de heg. Knisperend kwamen
ze, zeldzame dieren, kwamen door…
Steeds strakker trok hij zijn cirkels om ons.
Hij was nooit ver. Nooit ver genoeg
dat wij ons buiten waagden zonder christendom.
Van Heere Heere zingend liepen wij door zijn jachtgebied,
keken niet op of om. Naderend tot zijn water
voelden wij zijn ogen die de sterren konden doven.
Later toen hij niet meer van je zijde week
en zelf een hart…
Een huis moet rafelranden kunnen krijgen,
uit zijn hang- en sluitwerk slaan,
donker mompelen, siberisch jammeren,
moet zijn pannen kunnen losgooien als haar,
zich laten kastijden door de twijgen
van een berk. Zou daaraan dood moeten mogen gaan.
Hoe zacht zouden steden dan,
een droom van huizenspinsels.
Huizen zouden uit hun windsels
moeten…
De wolken waren nog nooit zo opgewonden
Als magere zwarte honden
doorploegen zij de nachtrivier.
Er staat een sterke stroom
van dwarreltijd naar klokkentijd,
naar eindtijd.
Maar er is nog zoveel adem over
dat men van alles afsteekt in dit laatste uur
dat naar hoogten reikt, even wacht, uit
grote ogen kijkt, zich kroont met vuur.
----…
Vriendschap herinner ik
mij als een reis van
de tastzin naar de reukzin,
van nerveuze vingertoppen
naar een haast feilloze neus.
Denkend aan vriendschap denk ik
dan ook vooral aan een les
in zintuigelijke waarneming.
Ook schiet mij nu de oude belofte
door het hoofd dat vriendschap
altijd het licht zou laten branden,
en voel ik weer…