Heel mijn leven wordt lied nu mijn droefnis verdrinkt in een paarlenden wijn, koel en oud. O geef mij slechts wijn, een sierlijke boot, een fluit - en een meisje bij tijden -. Dan maak ik mijn leven verrukkelijk groot en zal nimmer de goden benijden.…
Al 't goud der ontzaglijke zon ligt over ons uitgestort! Kom, drinken wij ons een kostlijke roes, want het leven, mijn vrienden, duurt kort. Drink. Maar laat als mijn zat lijf in slaap zinkt mij hier met mijn speeltuig alléén - en kéér, wanneer 'k met een verse zang in de armen weer wakker word.…
Gij wilt vergeten, waarde Prins, der vrouwen hels gesnap? Welnu dan, vult driehonderd maal met wijn Uw diepste nap, en zwelgt. Groot is 't getal der smarten, dat der beekren klein. Ter wereld redt en rest U niets dan d'eeuwge dronkenschap.…
Heer Waard, gij keldert Uw wijn in buikige vaten. Ik bezit een fijnspitsigen dolk en een luit, die nog nimmer mij hebben verlaten. Muziek en wijn zijn een huwelijk; hen snoert een band, die niet breekt, zolang nog wat goud in de beurs en de dolk in de schede steekt. O - hé...…
De pels kon van buiten slechts warmen. Wijn warmt van binnen. Kom, knaap, laadt de kruiken op d'armen. Het leven begon nog niet. Wij zullen 't beginnen. Tschau-Tschi was een treffelijk Dichter: hij heeft prachtig gezopen. Ook ik zal zulks dra doen. Heer Waard, ik wil u mijn paard verkopen en 't hem dadelijk nadoen.…