Stel: de liefde is een klok.
Dan wordt duidelijk waarom
ze niet meer rinkelt:
wij winden ons niet meer op.
De tijd, onmeetbaar geworden,
slaat intussen geruisloos toe.
Kijk: er is een hiaat tussen
jou en mij. Een invoeging
Hoort er niet meer bij.
Gemis is nog een vluchtpunt
om af te tasten, blindelings.
----------------------------…
Ik lust ze rauw.
De slome parelduiker ruift als water,
proeft zo rins als gesponnen chagrijn.
De liefde kropt, zeg ik. En hij:
zing maar een toontje hoger, moeder,
als een bevangen Lorelei.
Wat bindt ons dan en komt ons nader
als we vervuurd en breekbaar zijn
en het verlangen naar de einder
een lichtgestalte verder weent?
Haar kleed…
Alvorens hij jouw naam zou noemen
- je eerste naam, die van een kind -
had jij zijn stappen al geteld.
Je had zo lang op hem gewacht.
Soms bracht zijn stem geheimen over,
liet hij zich kennen in je droom
Als een gezant, een bondgenoot.
Toen bracht hij alles aan het licht.
Je vogelhoofd, warm proselein,
dat in mijn handen nog zou breken…