Het lichaam is een eenzaam ding
met plasma, beendermerg en smeer
en kleine holtes vol geheim
en drie, vier klieren voor plezier.
Het kreeg twee handen voor iets liefs,
maar zelfs twee handen zijn alleen
gehoorzaam aan het protocol
van een of ander kolderdier.
Een koningsvaren heeft nooit last
van blinde onderdanigheid,
maar halzen willen…
Wie in zee begraven wordt, gaat nooit verloren.
De zee is spaarzaam als een dichter.
En ik was aan zee en ik was op een berg:
twee eeuwenoude makkers.
Wie op een berg wordt bijgezet,
wil nog jongleren met de sterren,
snakt nog belachelijk naar lucht
met al de roofzucht van zijn lijk.
Wanneer men mij per se begraven wil,
dan liefst niet…
Zij hadden de tafel af vijftig jaar
niet meer afgeruimd, een man en een vrouw,
en bleven levenslang samen,
omringd door eierdopjes, koffiekopjes,
portretten van oude beminden
wier namen zij vergeten waren.
Zij spelden al vijftig jaar, dag in dag uit,
de krant van dezelfde dag,
een man en een vrouw,
om de wereld eindelijk stil te doen…
Het laatste woord trok op zoek
naar het voorlaatste en vond het niet.
Toen trok het laatste woord op zoek
naar het eerste dat net
naar het laatste onderweg was.
Het eerste en het laatste woord
trokken zwijgend verder, arm in arm.
Zij waren eenzaam, misten iets, maar wat?
Waren verliefd, maar wisten niet op wat.
Alle woorden die tussen hen kwamen…