Ik kom terug naar huis.
Ik loop traag de trappen op
en adem in... Ik wil opnieuw
het dunne wolkje ruiken
van soep, bereid voor mij.
Ik wil aanbellen en horen
hoe jij naar de deur gelopen komt,
zien hoe die opengaat en voor mij
de ogen stralen van een heilige.
Ik wil je gouden tand zien blinken
wanneer je lachend uitroept:
- Kom binnen meisje…
Op het dunne blad van een treurwilg
drijf ik traag over de wateren
van Schelde, Zenne, Nete, Leie...
Het blad is smal, maar ik maak plaats
voor mieren, vechtend voor hun leven,
voor vermoeide bijen, oude vlinders,
voor zielen van verdronken dieren,
voor zielen van verdronken kinderen,
in Schelde, Zenne, Nete, Leie...
Zo drijven we dan met…