Het kerkhof van een getto. Stenen. Stenen.
Gezichten die niet zeggen wat ze menen.
Hangende handen. Lusteloze voeten.
Ze waden door een eeuwig puin. Ze moeten.
Maar op een zolderkamer gaan ze leven.
Vertellen. Menselijk bewegen. Even.
Ze worden vogels, fladderen en wiegen.
Tot aan 't plafond. Dan weifelen ze. Liegen.
Schrompelen samen…
Wat heeft ons op die morgen toch wel mogen
doen lopen langs de Regentesselaan,
waar ons de blaren om de oren vlogen?
Waar kwamen we in 's hemelsnaam vandaan?
Hoe dan ook, er kwam een mannetje aan
waardoor je blik opeens werd aangezogen,
een en al zwarte hoed en zwarte ogen,
voorzichtig schuifelend, - en jij bleef staan.
Kloos, zei je, toen…
Er liep een hondje tussen de soldaten,
meisjes giechelden op de laatste rij,
toen zij een lange juichende cantate
over de hemel zongen: Maakt u vrij!
Het was een straat als alle andere straten
Ik zag een heilsoldaat, hoe hij
Haast jubelend zong, of hij 't nooit meer zou laten,
hij keek omhoog en leek onzegbaar blij.
Ik hoorde de trompet…
Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep
En hun wijzen van iedere dag
Die de treurwilg tot eindeloos treuren riep
En de vrouw tot haar eeuwige lach
Een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud
En de roodborstjes rood heeft gemaakt
Die de golven der zee, en de bladeren van 't woud
Met zijn vinger heeft aangeraakt
Die de kolibrie…
Woorden van geluk zijn moeilijk, ze zijn
klank, wartaal, aaas en jijs en toedan, alles
of niets. Het lekken van vuur; een gordijn
in de wind. Ze zijn eigenlijk maar ballast.
Want we zeggen geluk niet, we doen het.
Dieren hebben alleen maar hun lichamen;
snuiven, stampvoeten, hoeden warmte met
warmte. Het leeft en trilt, het heeft geen namen…