Ik heb je aan de ketting van mijn slaap gelegd.
De kamer stuiptrekt en het bed wordt groot.
Mijn zaad bevlekt de lakens met violette tatoeages.
De lege lamp voltooit ondraaglijk het lichtjaar.
Wij weten weinig van de weelde, maar we weten
dat weelde niet meer wederkerig is. Immers
na de paartijd gaan de vrienden huiswaarts
blauw geschminkt…
Een reus kent zichzelf.
Hij zoekt een meisje zoet als een konijn
om weg te goochelen in en uit
de grote hoed van zijn hart.
Maar een reus is te hoog voor een meisje
en zij te blauw van onderdanigheid.
Het ras der reuzen sterft uit. Spijtig,
want hij kan zijn ogen openrekken
als spek en zijn spieren als slangen
doen spelen, tot vervelens…