Ik zie me in de brieven edel menskind noemen met ertsen letters, waarop waas van gouden gruis, maar straks woon ik als insecten op de bloemen en zeg ik niemand meer het nummer van mijn huis.…
Als hij mij een hand geeft,
kleedt hij mijn vingers uit.
Toch verlang ik zo naar dit
contact met mijn huid.
Als hij met een vinger de split
van mijn vingers beroert, word ik rood
en voel ik mijn schoot.
Wij glimlachen, het doet ons goed.
Is het wel, als het moet?
Maar ik geef toe
en doe, en doe, en doe.…
Een kind voor een raam kijkt naar een korte trein.
Zo ben ik ook geweest, al zag
ik langere treinen over de lijn
glijden uit de opening van de dag.
Een kind voor een raam ben ik nog en ik tel
met héél klein vingertje de wielen
van andere dingen, zo snel
als zielen.
---------------------------
uit: 'Verzameld werk', 1976.…
De zon begint de plaatjes weer te lezen
op de deuren,
glimlacht om de namen naar hun wezen
en fluistert: hier is er geen.
Maar hier woont Van der Kleuren
en die is nooit alleen.
Doopt hij de kleuren in het water
zij worden nimf en hij is sater.
Houdt hij de kleuren naar het licht,
‘Kets’ zegt de vonk en wordt gedicht.
En slaapt die kleurenzuchtige…