Er moet helemaal niet gedicht worden, dichten maakt het soms zelfs erger. Maar dat neemt niet weg dat de poëzie mij helpt om een bolwerk op te richten tegen de boze wereld: gedichten zijn een soort cyclopische muren. Het leven is een voortdurend gevecht, tegen de wanhoop, de angst, de zinloosheid, kortom tegen de demonen. Daar moet je je tegen wapenen…
Wij houden
wij houden graag vallende
vrienden gezelschap hun falend
hun jasjes ontglippend
gereedschap onderscheppen wij met een glimlach.
Wij bouwen aan een toekomst zonder doden.
Wij wrikken aan de pijlers van pest.
Onze hartstocht geldt een leven zonder jou.
Derhalve onze goedendags geslepen
onze roestige carosserieën ontdeukt
en stroman…
In de twintigste eeuw is er echter iets ergs gebeurd dat Plato noch Shelley had kunnen voorzien: de poëzie heeft niet alleen haar aanspraken op het Ware en het Goede afgelegd, maar wil ook niet meer Schoon zijn, en tot overmaat van ramp is ze ook onbegrijpelijk geworden. In onze eigen eeuw komt daar nog bij dat lezen als een achterlijke bezigheid wordt…
Te midden van jaarloze flessen tast
schrander de gymnasiast naar contact in een muur
want aantocht van mensen is denkbaar.
Uit rokzak puilt een zinderende schuimkraag.
Staat kroegjool op springen, het lekt
in zijn aards gewelf - ach daar velt hem
vonkende stroom, stuipt zijn hart.
In baaierd van zwam zal zijn rotting
geknakt, hoge zijden…