Niemand kwam er.
Hij werd steeds eenzamer
En alsmaar bekwamer
In het bewonen van zijn kamer.
De ramen groeiden dicht
Van vet en stof, geen zicht
Had hij nog op enig licht
Of schemering, een lichtgewicht
Werd hij, vel over been.
Een kapstok, zo ging hij heen.
Alleen en alleen en alleen.
Allang toen hij was heen -
Gegaan, ging plotseling…
Toen ik nog geen boeken had
hadden wij één boek.
Het boek der boeken heette dat,
het was geen pocketboek.
Het was een heel dik boek,
dat in een zwarte omslag
als een baksteen op de hoek
van de schoorsteenmantel lag.
Het bindwerk was versleten,
de rug van leesgenot gekromd,
de bladen vet van 't vette eten.
Het las daar als een dam,…
Niet de aap maar het paard
lijkt het meest op de mens,
als je 't in de ogen kijkt.
Of sla de boeken erop na,
veldslagen, ontdekkingsreizen,
de melkboer in de straat.
Held van 't wilde Westen,
ruilobject voor koninkrijken,
verlosser van de filosoof.
Hier en daar staat op een plein
in brons een krijgsheer op zijn paard,
- dat zou andersom…