Uit een trapdeur komt een Turks gezin. In streepjespak voorop de vader, vijf kinderen, de moeder achteraan. Als een kameel loopt de man door de woestijn van het westen. Allah houdt hem groot, wij zijn maar klein hier zonder matje, maar groter is de ruggegraat van eigen makelij, de ratio die ons behoedt maar wat ons samenhield gebroken heeft, elke deur…
Het was een keer zo dat een gedicht naar mijn idee niet af was omdat op een bepaalde plaats nog een woord met twee lettergrepen moest komen, liefst eindigend op een ‘a’. Toen ik dat had was het gedicht klaar. Dat is het geheim van het ritme en van de klank – dat maakt een gedicht tot meer dan een mededeling die in eigenaardige bewoordingen is gesteld…
Met haar rugzak zwaarder dan een paard
om stuitert desondanks zij de trappen op en af
woont in abstracte lessen voor een toekomst met
haar gierende vriendinnen wild gearmd naar de wc's
een wijle daar valt zij in een aandacht voor haar oogopslag
haar rozenmond in de beheersing van haar hoofddoek
strijkt zij langs de jongensblote navel der vriendin…
De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje
en varen zoet vereenzaamd in een landschap
waarbij ik roei en jij met elegante handslag het water
in het water schept opdat wij zinkende niet zinken
in het water waar zo pas zie ik omkijkend land was
en ver voor mij op de kant was de kindertijd en wuift nog
o god wat hou ik toch van de knieën…
Als wij op de steenweg lopen
zegt iemand van ons kijk
het gras is twee kontjes hoog
zeiden wij vroeger
waarop wij hem onmiddellijk
staande houden hoezo vroeger
kijk om je heen man
wat ontbreekt er aan ons heden
aan onze toekomst
aan onze tijdelijkheid?
----------------------------------------
Uit: de 100 beste gedichten van 2002…