Terwijl ik, een bezwijming nabij, op het lichaam neerviel waarmee ik me had verenigd, bedacht ik in een laatste opleving van krachten dat de vlam bestaat uit een schitterende helderheid, een ingeschapen kracht en een vurige gloed, maar de schitterende helderheid bezit zij om te stralen en de vurige gloed om te branden. Daarop begreep ik de afgrond,…
Opeens verscheen het meisje mij als de zwarte maar schone maagd over wie het Hooglied spreekt. Zij droeg een versleten jurk van ruwe stof, die op de borst vrij schaamteloos openviel, en om haar hals had ze een ketting van gekleurde steentjes, zonder enige waarde vermoed ik. Maar haar hoofd stond fier op een hals zo blank als een ivoren toren, haar ogen…