Zie het niet als sterven
de bladeren van oktober
in goud verschrompeld.
Ik streel ze als streel ik
bejaarde zomerhanden na
een wuivend vaarwel tot
stille rust vervallen en tot
mozaïek vergaan.
Al bedekken zij in schoonheid
de graven in het park
zie het niet als sterven.…
Er zweeft iets
afwachtends
in de rust der natuur deze ochtend
alsof de ziel
van dit gras
mijn heuvels en bomen
het heideveld in schaapjeswolken
nog even niet meespeelt
met het spel van licht en bestaan.
Toch zie ik aan de horizon
op een zandweg
witte paarden naderen
ze zijn te vroeg om
echt te zijn
meer schoonheid kan de dag
nu niet…
Wonden uit een ver verleden
kloppen.
Speel mij de bal toe, vreemdeling
en verstar bij de eerste blik.
Gevangen tussen muren van steen
vond ik kinderstemmen.
Achttien lentes lang.
En de kersenboom stond in bloei.
Haar geur
was voor die engelen.
Maar hun echo's als juwelen,
die schonken ze aan mij.
Ik bouwde mijn dromen van fonkelstenen…
Waar de wilde wingerd groeit
wil ik dwalen.
In gedachten dan te zingen
ritmisch, op de geur der dingen
om me heen.
Als boven de bemoste grond
vertraagde tijd tot stilstand komt.
De kloosterling in mij, verwond
ontwaakt in duizend rusten.
Gelijk ooit 't verleden is begonnen...
Een tel,
tot eeuwigheid gesponnen
uit draden van geluk.…
Zo blij als de lucht nu is
in de hitte van de zomerdag,
terwijl ik, liggend in het veld...
boterbloemen...
luister naar de duizend vleugels
als een erekrans van pastelkleurig geluid
om de stilte,
ben ik.
Zou ik kunnen dansen?
in de hitte, boven het veld...
boterbloemen...
vormen zich de paarse geuren,
versmelten zich het leven en de rust…