hij komt
warempel, daar is ie,
de eerste minister
hij kijkt en minnestreelt,
heel beminzaam
lacht voor waar
hij hoort toe
steekt een hand uit
strooit schouderklopjes
welbespraakt gebaart hij
zelfverzekerd van
‘kweet het al
goed, zegt hij
wacht dus maar af
ontbloot zijn tanden
in welwillende lach
geen doorkomen aan
licht te zwaar…
kan schoonheid ooit mooier zijn
dan toen die dag was in alles
ingehouden adem benemend
om te zien, stil verlangend ja
herinnering tastbaar als huid
teder stilte strelend voel ik haar
warmte onderstroom van levend
besef, ik: uitverkoren was ik, ja
verte, zacht zeurende pijn om wij;
kan ooit de diepte vervagen?
zij, peilloos dragend de horizon…