Het laat mij koud,
de woorden van afgunst,
terwijl het mij kwetsen moest.
Ogen die grote bomen
omver kunnen duwen,
het laat mij koud.
Het laat mij koud,
wanneer bloedverwanten,
lachen en gieren met een masker op.
Ach, niemand bestaat…
Zomaar gegaan,
naar het verre land,
terwijl `t dichtbije
jou nodig had
Zo erg, had ik
nooit gedacht dat ik
`t zou vinden
Alles kwijtgeraakt,
die mond, waarachter
een mooie glimlach en gave , spierwitte
tanden zich verscholen…