Hoe taandet ge al, gij, die aanwezig waart,
Bij wat mij Eén, van ver nog, liet verwerven:
De donkre blik, mij volgend overal,
Maar lichter toch dan 't goud op gouden blaren;
Erinnering aan zachter haren val,
Verdoffend de' inn'gen glans op bruine blaren.…
Hij hoorde 't avondklokje,
Dat wegstierf in de vert':
-- Gaan zo de erinneringen
Nooit sterven in het hert?
Hoe treurig is 't ontwaken!
Daar stond hij gans alleen,
Hij zuchtte, en trok weer verder,
En wist toch niet waarheen.…
Ik had aan zijn sterfbed gezeten, terwijl de tranen als rivieren zonder doel of bestemming hun weg zochten over mijn gezicht. Hij had me gevraagd hem voor te lezen uit de roman, getiteld: "De jongensjaren van....", zijn favoriete boek uit zijn jeugdjaren. "Flink zijn" vermaande hij me bij het zien van mijn verdriet.
Hij was mijn voorvechter in…