Op een regenachtige vrijdagmiddag verzamel ik alle verdwaalde potjes uit mijn tuintje, verwijder het zevenblad dat er welig in tiert, en plant er zaadjes in van blauwe ochtendwinde. Ik zet ze binnen op een tafeltje voor het raam en wacht. Elke dag geef ik ze water en kijk frequent aandachtig naar de aarde.…
de ochtendwind is licht
ontduikt langzaam het duister
een mistbank zetelt zacht
in het loverse gefluister
de zon priemt zich een weg
dwingt nevels spoorslags
te verdwijnen laat de dag
in vol ornaat verschijnen
in blauw straalt zij
haar warmte op het land
de witte huid verbrandt
zal schaduw moeten zoeken
te laat voor vele voeten…
Met mijn haren in de geur van het vroege ochtendlicht
En mijn gedachten in de armen van de ochtendwind
Fietste ik door dromen, die niet wakker wilden worden
Met ogen vervuld van al de sterren in die nacht.…
Onrust bevangt me tot de ochtendwind komt,
stilte omringt me waarin alles verstomt.
Wat me te wachten staat, ik weet het niet,
ongeluk en eindeloos verdriet,
genadeloos wordt je geworgd
terwijl je lief zich onbezorgd
en vrij van kommer op een ander werpt.…
Hij haalde zijn bril uit het nachtkastje en terwijl hij zijn kamerjas aanworstelde, de warme voeten in de koude muiltjes stak geeuwde hij nogmaals, zij het ietwat onderdrukt, en liet vervolgens zich een eerste ochtendwind ontglippen, zij het minder onderdrukt.…
De ochtendwind is droog,
tranen laten weinig sporen na.
Diepe gedachten wil ik penselen,
maar ik praat alleen tegen het hek.
Moeilijk, moeilijk, moeilijk!”
---- ----
U kent mij niet, maar het is alsof de eeuwige zwijger hier in mij sprak.
Uit: “Liefde en wijsheid in het oude China” – vert. Yijun Wang, uitg.…