ik kan niet meer
van binnen ben ik hol
ik wil het weer
weer vullen ik wil vol
een handje wind
vlijt bladeren op een hoop
strijkt door mijn haar
haalt gedachten uit de knoop
een mand vol zonnestralen
weerkaatsend op het fruit
oogst van zomerdagen
de kleuren rijpen uit
stofjes schonen uit de lucht
met zoveel regen dat het giet
hagel…
De dauwdruppels op het gras beginnen te glinsteren. Het lijken wel toverballen, zoveel kleuren hebben ze. Mijn natuurvriend en ik zitten tegen een boomstam in de duinen. Overal om ons heen begroeten de vogels de opgaande zon met juichend gekwinkeleer en jubelend getierelier.
‘Heerlijk…,’ zeg ik zacht, ‘die biostatische koffie met macrodynamische melk…
IJl klinkt je afscheidsgezang nog in de verte
nauwelijks hoorbaar tussen flarden tegenwind
nu je me weer verlaat tot het volgend voorjaar
verschuil ik me tussen de overgebleven bladeren
aan de steeds kaler wordende bomen in de stad
Voel me weer de huismus
onder de winterkoninkjes
kou en regen trotserend
tot de zon weer komt
Wie is er nog…