Vrijdag 27 februari 2015
Vrijdag 27 februari 2015: De ijzige kou in het atelier was een fysieke barrière die de ruimte in tweeën leek te splijten. Bjarne Gosse lag roerloos op zijn doorgezakte matras, zijn blik strak gericht op de vuile ramen waar het grauwe ochtendlicht doorheen sneed. Zijn adem vormde kleine, nerveuze wolkjes in de lucht. Om hem heen stonden de stomme getuigen van zijn mislukking: half afgemaakte schilderijen, aangetast door het vocht, en opgedroogde tubes verf die als dode insecten op de vloer lagen. Het was vrijdag 27 februari 2015. Een memorabele dag, al was er niemand meer om de kaarsen aan te steken.
Het was de hitte die hem had gewekt. Of liever gezegd: de herinnering aan hitte. In zijn slapende brein had een verwoestende brand gewoed in de stadsbibliotheek, de schatkamer van zijn geteisterde geest. Hij kon de droom nog steeds proeven—een bittere smaak van verbrand papier en verschroeid leer.
Terwijl zijn hart langzaam tot rust kwam in zijn borstkas, gleden zijn gedachten onvermijdelijk naar haar. Emma. Vandaag zou ze achtenzestig jaar zijn geworden. In 1947 kwam ze ter wereld in een lichaam dat het hare niet was, gevangen in de dwingende mal van een man. Pas veel later, met een moed die Bjarne nog altijd mateloos bewonderde, eiste ze haar ware gedaante op. Ze stierf in 2010 als de vrouw die ze altijd had moeten zijn. Zij was het geweest die hem, een wankele schilder zonder richting, de schuilplaats van de literatuur had getoond.
Nu, in de kille stilte van de ochtend, vroeg hij zich in paniek af wat er in de asresten van zijn droom was achtergebleven. De literaire ankers die Emma hem had nagelaten, leken met de bibliotheek te zijn opgelost in rook. Was de monumentale, melancholische kroniek over het Haagse verval uit Louis Couperus’ De boeken der kleine zielen uit 1901 nu gereduceerd tot zwarte flarden? Had het vuur de verstikkende, psychologische tragiek van de familie Van Lowe opgeslokt? En had de destructieve vlammenzee ook Gustave Flauberts Madame Bovary uit 1857 vernietigd, waardoor Emma Bovary's existentiële verveling en haar hopeloze romantische vlucht voorgoed tot as waren gehergroepeerd? Het was een boek dat hem zo vaak uit zijn slaap had gehouden.
Zijn gedachten schoten ongerust verder naar Gerard Reves De avonden, verschenen in het exacte geboortejaar van Emma, 1947. Zou de verstikkende, rauwe burgerlijkheid van Frits van Egters de droombrand hebben overleefd, of was die iconische naoorlogse desillusie nu voorgoed verstomd? Zelfs het gevaarlijke, indringende werk van Jean Genet, Het dagboek van een dief uit 1949, bood geen zekerheid meer. De heilige misdadigheid en de poëtische immoraliteit over de zelfkant van het bestaan—het boek dat Emma hem met zoveel tederheid had leren lezen—was in zijn droom wellicht niets meer dan koolstof geworden.
Bjarne sloot zijn ogen weer, maar de kou dreef hem onbarmhartig terug naar de realiteit. De boeken stonden wellicht nog op hun fysieke planken in de stad, maar in zijn hoofd was de brand al begonnen. Zonder Emma om de bladzijden hardop om te slaan, was de bibliotheek van zijn leven al langzaam aan het verassen.
Hij bleef roerloos liggen, maar de kou in het atelier leek langzaam te wijken voor een herinnering die zich warm en helder in zijn geest nestelde. Het was een zondagavond in de herfst van 2008 geweest, amper twee jaar voor haar dood. Emma zat in de versleten brede oorfauteuil bij het raam van haar kleine appartement, het zachte licht van een leeslamp op haar gezicht. Ze hield een beduimeld exemplaar van Gerard Reves De avonden in haar slanke, ietwat aderige handen. Bjarne herinnerde zich de rust die van haar uitging, een serene waardigheid die in schril contrast stond met de stormen die ze in haar leven had moeten trotseren.
"Kijk naar dit jaartal, Bjarne," had ze gezegd, haar stem laag en melodieus, terwijl ze met haar wijsvinger over de titelpagina streek. "Negentien zevenenveertig. Het jaar waarin de wereld besloot dat ik een jongen was, en het jaar waarin Reve de verstikking van diezelfde wereld opschreef. Frits van Egters zocht naar adem in de burgerlijkheid, net zoals ik dat deed in een lichaam dat voelde als een te krap confectiepak." Ze had een glimlach, een melancholische plooi rond haar mond. "Maar literatuur is de enige plek waar de muren kunnen wijken zonder dat het dak instort."
Ze had hem die avond ook stukken voorgelezen uit Jean Genets Het dagboek van een dief. Met een bijna heilige tederheid sprak ze de rauwe, verboden woorden uit, alsof ze de schandvlekken van het bestaan omvormde tot een kostbaar sieraad. Emma begreep Genet; ze wist wat het betekende om aan de zelfkant te staan, om door de maatschappij te worden bekeken als een anomalie, een zondaar, of erger nog: een onzichtbare. Zij had van haar eigen transformatie haar eigen meesterwerk gemaakt, een weigering om te buigen voor de grijze massa die Reve zo pijnlijk nauwkeurig beschreef. Ze had Bjarne geleerd dat kunst geen decoratie was, maar een overlevingsstrategie. "Als de wereld buiten koud is, Bjarne," had ze hem toegefluisterd toen hij die avond afscheid nam, "dan stook je je eigen vuur maar met de bladzijden die je overeind houden."
Nu, in de kille ochtend van 2015, voelde die herinnering wrang. Het vuur uit haar woorden was in zijn nachtmerrie een destructieve vlammenzee geworden. Emma was er niet meer om hem te herinneren aan de veerkracht van de geest, en de bladzijden die hem overeind moesten houden, leken in zijn hoofd slechts nog te bestaan als as en rook.
Zijn jarenlange verwarring en leven aan de onderkant van het bestaan hadden van Bjarne een man met gaten in zijn geheugen gemaakt. Hij moest op zoek gaan naar de boeken en ze nogmaals lezen, misschien zelfs meerdere keren om het idee te krijgen dat Emma weer bestond.
Geplaatst in de categorie: literatuur

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!