Voor Icarus nergens een valscherm
(voor Frank Lanzendörfer (1962 - 1988))
Jij bent geboren op 30 december 1962 in de wijk Oberpoyritz in Dresden. Jij was de vijfde van 7 broers en zussen. Jouw familie noemde jou 'Professor'. In 1981 behaalde jij jouw middelbare schooldiploma en werkte jij een tijd in een wasserij. Na jouw diensttijd van 1981 tot 1983 in het leger te Marienburg ging jij schilderen en schrijven. Sinds mei 1983 woonde jij weer in Dresden, op de R. Rennerstrasse 2. Via jouw vriend en leraar, de schilder Reinhard Sandner (1951, Bockwitz/Neder-Lausitz), kwam jij in contact met de muzikant/componist/redacteur van het tijdschrift 'Lothar Friedler' Lothar Friedler (1952, Dresden), van 1981 tot 1984 hoofdredacteur van het tijdschrift 'UND'. Jij ging naar het eerste schrijverscongres van de DDR en naar het atelier van de schilderes Uta Hünniger (1954, Weimar) in de Lychener Strasse, waar anarchisten teksten met elkaar deelden. Jij was een anarchist en occultist. Jij volgde een tijd een avondcursus aan de Kunstacademie in Dresden. In januari 1984 verscheen jouw eerste publicatie in het tijdschrift 'UND'.
Begin zomer 1984 ging jij aan de Strassburger Strasse in Berlijn wonen. Jij woonde ook een jaar in de Christburger Strasse. En jij woonde in het appartement van de dichter Johannes Jansen (1966, Oost-Berlijn) in de Rettigweg in Pankow, in de Schönhauser Allee, de Gleimstrasse, de Lychener Strasse, de Schwedters en de Weinbergsweg in Mitte. In Berlijn werkte jij soms als kinderopvangmedewerker.
Jouw vrouw was Beate Ruben. In november 1985 werd jullie zoon Karl geboren en in augustus jullie zoon Richard Ruben. Jij leefde als freelance kunstenaar in de ondergrondse scene van de DDR. Jij was mede-oprichter van het in Berlijn in eigen beheer uitgegeven tijdschrift 'Schaden', waar kunstenaars van Prenzlauer Berg in konden publiceren. De andere oprichters waren Johannes Jansen en Leonhard Lorek (1958, Zabrze). Jij publiceerde in de kunstboeken 'Verlustig' (1985), 'Achkrach Kuckbuck' (1986) en 'Flugschutt' (1986). Jij publiceerde in de tijdschriften 'Bizarre Städte', 'Liane', 'UND', 'USW' en 'Verwendung'. Enkele gedichten verschenen verschenen in de literaire almanak 'Temperamente' en het 'Jahrbuch der Lyrik 1986' en in de bloemlezingen 'Die andere Sprache. Nieuwe DDR-literatuur van de jaren 80' en 'Een molotovcocktail op de rand van een vreemd bed'.
In 1987 produceerde jij samen met de filmmaker/fotograaf Volker Barndt (1965, Berlijn) de film 'Eisenschnäbelige Krähe'. Dit is jouw enig overgebleven film, die in 1987 in Galerie Jörg Deloch op de Schönhauser Allee 50 werd vertoond. Gelukkig heeft Thomas Günther die toen opgenomen, min 4 minuten beeld. Jij hebt de originele zwart-wit film verbrand. Er zijn beelden een man, die van een hoge flat springt en dan wegloopt, van een naakte superman en supervrouw, gemaakt door Fritz Klimsch, van Hitler's oorlogspaarden, gemaakt door Joseph Thorak, en van grafstenen in de sneeuw. De sfeer/uitstraling is vervreemdend, psychotisch, hysterisch, schimmig, waanzinnig, occultistisch, dramatisch, beklemmend en morbide. De muziekkeuze is uitstekend, van punk tot opera. Het is alsof jij jouw eigen overlijden in scene zet, alsof jij een inwijdingsritueel tot verlichting uitvoert. Zoiets was het, is het. Jij vastte om de zoveel tijd om te kunnen hallucineren en tot spirituele hoogten te transformeren. Veel van jouw kunstwerken zijn verdwenen, vooral jouw Super 8-films en schilderijen, tijdens jouw vele verhuizingen of omdat jij ze verbrandde.
Jij stamde af van zigeuners en jij had een hekel aan harde radiogeluiden/stoorzenders. Jij had geen foto's van jezelf als kind en jij werkte op de computer van Johannes Jansen. Zo maakte jij o.a. het autobiografische gedicht 'Garuna, ich bin!', een collage. Jij leed onder jouw eenzaamheid. Jij veranderde veel van woonplek en van uiterlijk. Je wilde niet traceerbaar zijn. Vanaf juni 1985 zat de Stasi achter jou aan en wilden zij jou voor hen laten werken. Jij werd geregeld overvallen en daarbij geïntimideerd en bedreigd. Na die ontvoeringen hebben ze jou bij de stadsgrens afgezet. Jij was een opgejaagd dier. Je werd ook een keer met hun auto 30 kilometer buiten Berlijn in de wildernis gedropt. Jij voelde jezelf continu door hen vervolgd, opgejaagd en in de gaten gehouden. Zij luisterden jou telefoon af en zij ontvreemden jouw post. Dus was jij altijd onderweg, van vriend naar vriend. Op 10 november 1985 deed jij een aanvraag om het land te mogen verlaten, wat geweigerd werd. Jij leende een winterjas van Johannes en jij vloog naar Sint-Petersburg. Dat was jouw enige, buitenlandse reis, die jij maakte.
Jij was o.a. bevriend met de muzikant Michael Zickert, de schilderes/grafisch kunstenares/filmkunstenares Christine Schlegel (1950, Crossen an der Elster), de dichteres Elke Erb (1938 - 2024) en de beeldend kunstenares/keramiste/drumlid van de punkband Namenlos Mita Schamel (1966, Berlijn). De zangeres van Namenlos was Jana Schlosser (1964, Halle) en ik vermoed, dat zij bij de film 'Eisenschnäbelige Krähe' zingt. Mita werkte van 1984 tot jouw overlijden in 1988 met jou samen. Jullie maakten teksten en jullie deden schilderacties. In de winter van 1985-1986 woonde jij bij haar in haar appartement, waar jij een serie schilderijen maakte, waarvan de meesten verloren zijn gegaan. In januari 1986 exposeerde jij schilderwerk met haar in Galerie De Loch van Jörg Deloch (1965) in Berlijn. In 1983, toen Mita 17 jaar was, werd zij door de Stasi 7 weken in de gevangenis opgesloten. Vervolgens raakte zij paranoia en depressief. Zij kreeg heftige, emotionele uitbarstingen en zij deed een poging tot zelfdoding. Zij gebruikte alcohol en pillen en zij zat in een psychiatrisch ziekenhuis.
Jouw collega was de homoseksuele kunstenaar en bohemien Gino Hahnemann (1946 - 2006). Jij maakte jouw expressionistische, deels dadaïstische gedichten, essays en tekeningen met teksten onder invloed van drugs en muziek. Vanaf eind 1987 verdween jij steeds meer uit Berlijn en vastte jij in totale isolatie. Jij hallucineerde en jij vernietigde jouw performance-opnames en Super 8-films. Jij werkte maandenlang aan een houten constructie, waarmee jij op 5 augustus 1988 een brandweertoren nabij Marienwerder beklom. Mogelijk waren jouw vrienden, zoals Peter Böthig en Klaus Michael, in de buurt of zelfs aanwezig, toen jij van die toren sprong en overleed. De Stasi, o.a. ene Gröger, heeft jou grotendeels tot zelfdoding gedreven. Als kind sprong jij van de randen bij een steengroeve vlakbij het landgoed van jouw ouders. Jij probeerde als kind al te vliegen. Jij werd 25 jaar.
In 1992 verscheen 'Flanzendörfer: unmöglich es leben' bij Janus Press, in 1991 door Gerhard Wolf (1928 - 2023) opgericht. Met als redacteuren jouw vrienden, de filoloog/literatuurwetenschapper Peter Böthig (1958, Altenburg) en de filoloog/literatuurwetenschapper Klaus Michael (1959, Lutherstadt Wittenberg). Het is gevuld met jouw gedichten, tekeningen en foto's.
19 augustus 2026
Geplaatst in de categorie: idool

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!