Zaterdag 23 augustus 2014
Er hing een lichte, verfrissende motregen boven de Oosterparkbuurt toen Thomas de deur van Bjarnes appartement achter zich dichttrok. Het was drie weken na die overweldigende avond waarop hij voor het eerst Bjarnes territorium had betreden. De boekenkasten, de geur van de muren en de schaduw van Gerard Vroeg voelden nu minder als een bedreiging en meer als een vertrouwde achtergrond.
Vandaag was de dynamiek anders. De verlammende minderwaardigheid die Thomas begin augustus voelde, was getemd door de nachten die ze sindsdien samen hadden doorgebracht. Toch bleef er die constante, onderhuidse alertheid.
Nu liepen ze schouder aan schouder over de natte klinkers van de Eerste Oosterparkstraat. De fijne regen legde een glans over de daken van de negentiende-eeuwse panden. Thomas hield zijn handen diep in zijn zakken. Zonder de beschutting van de hotelkamer uit juli of de muren van het appartement voelde de buitenwereld naakt aan. In 2014 was de Oosterparkbuurt weliswaar aan het veranderen, maar op een grijze zaterdagmiddag was het vooral nog een volksbuurt waar mensen hun honden uitlieten en haastig de tram ontweken. Elke voorbijganger voelde voor Thomas als een potentiële getuige van hun geheim.
"Waar denk je aan?" vroeg Bjarne.
"Aan Gerard," loog Thomas niet eens helemaal. "En aan zijn Nietzsche. Amor fati. Het lot omarmen." Hij keek even opzij naar Bjarnes profiel—de strakke kaaklijn, de stoere blik die buiten net iets afstandelijker leek dan binnen. "Ik vroeg me af of dit ons lot is. Of dat we het gewoon heel hard proberen te forceren."
Bjarne lachte zacht, een geluid dat verdween in het geruis van de bomen van het Oosterpark dat in de verte opdoemde. Hij pakte Thomas’ arm vast—niet teder, maar stevig, net boven de elleboog, om hem te behoeden voor een diepe plas water op de stoep. De aanraking stuurde meteen een schokgolf door Thomas’ lijf. De fysieke herinnering aan hun samenzijn was zo vers dat elke aanraking in het openbaar aanvoelde als een overtreding.
"Je denkt te veel, Thomas," zei Bjarne toen ze de ingang van het park passeerden. "Gerard dacht ook te veel. Dat was zijn kracht, maar ook zijn valkuil. Nietzsche schreef over de man die durft te leven, niet de man die zijn eigen leven kapot analyseert."
Thomas draaide zich naar Bjarne toe. De onzekerheid die begin augustus zijn keel dicht snoerde, was veranderd in een scherpe, bijna agressieve noodzaak om grip te krijgen op wat dit was. Hij stapte dichter in Bjarnes persoonlijke ruimte, vlakbij de stam van een oude eik.
"En jij?" vroeg Thomas, zijn stem een schor fluisteren. "Leef jij, Bjarne? “
Bjarnes blik veranderde meteen. De laconieke, intellectuele afstandelijkheid smolt weg. Hij liet zijn hand van Thomas’ arm naar zijn nek glijden, exact zoals die eerste avond in het appartement, maar deze keer met de dwingende koelbloedigheid van de buitenlucht. Hij drukte Thomas net iets steviger tegen de ruwe bast van de boom.
"Ik kijk niet, Thomas," mompelde Bjarne, terwijl zijn adem warm tegen Thomas' natte wang sloeg. "Ik voel. En als je nu niet ophoudt met praten, laat ik je hier in het park zien hoe weinig die filosofie van je waard is als ik je vasthoud."
De dreiging in zijn stem was puur intellectueel voorspel, maar de honger in zijn ogen was echt. Thomas slikte de rest van zijn argumenten in. De angst om saai of onbetekenend te zijn verdween op slag; in de schaduw van het Oosterpark, met de augustusregen die zacht maar dwingend op de bladeren tikte, wist hij dat hij Bjarnes wereld niet alleen had betreden, maar dat hij er niet meer uit weg wilde komen.
Met grote, haastige passen liepen ze de drempel van het pand weer over. De zware augustusregen had hun kleding in de laatste minuten alsnog doorweekt, en in de gang van het trappenhuis hing de geur van natte wol en warm asfalt. Toen Bjarne de deur van zijn woning opende, voelde de ruimte voor Thomas niet langer als een onbereikbaar museum van Bjarnes verleden, maar als een veilige haven. De spanning van de straat viel direct van hen af.
Binnen was het schemerig. Het weinige licht dat door de hoge ramen viel, weerkaatste op de natte houten vloer waar de eerste druppels van hun jassen vielen. De boekenkasten stonden er onveranderd bij, maar de intimiteit van de ruimte was door de stormachtige middag alleen maar toegenomen.
Bjarne smeet zijn sleutels op de houten tafel en draaide zich in één vloeiende beweging om naar Thomas. Zonder een woord te zeggen, trok hij Thomas aan de revers van zijn natte jas naar zich toe. De woning was hun schild tegen de buitenwereld; hier hoefden ze niet te praten over het lot of over Nietzsche, hier hoefden ze alleen maar te zijn.
Bjarne hielp Thomas met een koortsachtige haast uit zijn zware, natte jas, die met een doffe klap op de vloer belandde. "Je bent ijskoud," mompelde Bjarne tegen Thomas' hals, hoewel zijn eigen ademhaling alweer snel en warm was.
Thomas legde zijn handen op de muren van de gang om zijn evenwicht te bewaren terwijl Bjarne zijn schoenen los schopte. De structuur van het behang, de geur van oud papier en de verre geluiden van de Oosterparkbuurt buiten vormden het decor van een overgave die deze keer niet voortkwam uit onzekerheid, maar uit een diep, wederzijds verlangen om de controle volledig te verliezen.
Bjarne duwde de half openstaande deur van de slaapkamer met zijn voet verder open. In tegenstelling tot de rest van het appartement, waar de metershoge boekenkasten de muren domineerden, was deze ruimte sober. Het grote, lage bed was het middelpunt. Het weinige licht dat door het smalle raam viel, wierp lange schaduwen over de houten vloerdelen. Buiten kletterde de augustusregen nu hard tegen de ruiten, een monotoon geluid dat de muren van de kamer alleen maar dikker en ondoordringbaarder deed lijken.
Geplaatst in de categorie: liefde

Er zijn nog geen reacties op deze inzending.