Inloggen
voeg je beschouwing toe

tabblad: beschouwingen

< vorige | alles | volgende >

beschouwing (nr. 3970):

Een literaire springplank voor Paul Verlaine

(voor Charles Morice (1860 - 1919))

Je bent geboren op 15 mei 1860 in Saint-Étienne. Jouw vader was een kapitein van het 66ste Infanterie Regiment en een Ridder in de Keizerlijke Orde van het Legioen van Eer. Na jouw opleiding in Saint-Étienne studeerde je aan het klein seminarie Saint-Jean in Lyon. In 1878 kreeg je een bachelor's degree en ging je rechten studeren. Je werd smoorverliefd op Thérèse Peraldo en omdat jouw familie hier tegen was, vluchtte je met haar in 1882 naar Parijs. Je werkte bij het anticlerische tijdschrift 'La Nouvelle Rive gauche', wat van 9 november tot 30 maart 1883 verscheen. Op 6 april 1883 ging dit tijdschrift 'Lutèce' heten, opgericht door de dichter/schrijver/journalist Léo Trézenik (1855 - 1902), die ook de vice-president van Les Hydropathes was. De medewerkers van 'Lutèce' waren o.a.: Paul Verlaine, Léon Cladel, Maurice Rollinat, Paul Meurice, die lange tijd met Victor Hugo bevriend was, Jules Laforgue, Jean Moréas, Jules Vallès en Louis Dumur. Jij beschreef de symboliek in 'Lutèce', totdat het tijdschrift in oktober 1886 ter ziele ging.

Dankzij jou kon Paul Verlaine 'Les poètes maudits' in 'Lutèce' publiceren. Op 8 december 1882 schreef jij zeer kritisch over de poëzie van Verlaine, maar door zijn reagerende artikel van 15 december 1882 werd jij zijn grootste bewonderaar. Door jouw kritiek zegevierde Verlaine, die daardoor ook beroemd werd. Jij inspireerde hem tot een tweede deel van 'Les poètes maudits' en tot veel andere geschriften. Jij zorgde voor zijn interesse in de nieuwe poëzie en jij was de eerste, die een lange studie aan hem wijdde, gepubliceerd in 1888. In 1911 was je ook de eerste, die de volledige werken van Verlaine publiceerde. In Verlaine's dichtbundel 'Jadis et Jadiguère' uit 1884, uitgegeven door Léon Vanier, staat het gedicht 'Art poétique', wat Verlaine voor jou schreef.

Jij ontmoette Paul Verlaine, Stéphane Mallarmé en François Coppée, die een baan in het directoraat van het primair onderwijs voor jou regelde. Na een jaar stopte jij met die baan. Je publiceerde studies over Alphonse de Lamartine, Paul Bourget, Charles Baudelaire en Percy Shelley en jouw onvoltooide roman 'L'Esprit seul' in 'La Revue Contemporaine', gemaakt door Alphonse de Calonne. Om te overleven vertaalde je Dostojevski voor de vertaler/schrijver Ely Halperin-Kaminsky met zijn tijdschrift 'Le Franco-Russe'. Je publiceerde gedichten, artikelen en kritische essays in 'La Vogue' en 'La Vie moderne'. 'La Vogue' verscheen wekelijks van 4 april 1886 tot 15 december 1900 door de schrijver/dichter Leo d'Orfer en de dichter/criticus Gustave Kahn. Het kantoor bevond zich bij de boekhandelaar Barbou op 41, rue des Écoles. In het eerste nummer verscheen het gedicht 'Les premières communions' van Arthur Rimbaud. Later in 1886 publiceerde 'La Vogue' een deel van 'Les Illuminations' van Rimbaud.

Om aan jouw geldnood te ontsnappen, verliet jij jouw vrouw en kind Hélène. In 1887 verhuisde jij naar Lyon en had jij contact met jouw familie. In de lokale krant 'Le Salut public' plaatste je een artikel over Paul Verlaine. Na een jaar was je weer in Parijs. Anatole France prees jou de hemel in met zijn essay 'La Littérature de tout à l'heure', wat jou beroemd maakte. Je bezocht de zaterdagen in het literaire centrum La Plume en je schreef voor het tijdschrift 'Le Mercure de France', heropgericht door Alfred Vallette, die er samen met zijn vrouw, de briefschrijfster/salonnière Marguerite Eymery, een uitgeverij aan toevoegde. De ontmoetingsplaats was het café van Mère Clarisse in de Rue Jacob. Je gaf lezingen in België en Zwitserland en je kreeg interesse in de schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur.

Jij ontmoette Paul Gauguin in het atelier van de alcoholistische schilder Armand Seguin, een leerling van Gauguin. Zijn atelier was op 54, Rue Lepic, op de derde verdieping, daar, waar Vincent van Gogh van februari 1886 tot februari 1888 bij zijn broer Theo woonde. Het was enkele jaren eerder dan Armand, toen Vincent daar zijn atelier had. Je was bevriend met Gauguin en je herzag zijn boek 'Noa Noate', over zijn verblijf in Tahiti. Gauguin overleed op 8 mei 1903 en Seguin op 30 december 1903 door tuberculose. Seguin werd 34 jaar. Seguin maakte in 1896 het schilderij 'Naakt van de gravin van Hauteroche', wat sterk aan Gauguin doet denken. Let vooral op de spitse linkerborst van de gravin, die zeer appetijtelijk in beeld is gebracht.

In mei 1896 trouwde jij met Elisabeth Fournier de Saint-Maur, de weduwe van graaf Joseph Vien en de moeder van Gabrielle Vien de Saint-Maur (1886 - 1980), een schrijfster/dichteres, die het pseudoniem Marie Jade gebruikte. Door jouw geldnood werkte jij als onderzoeker, secretaris en expositieregelaar. In oktober 1896 verhuisde je met Elisabeth naar Brussel. Je gaf lezingen en je schreef artikelen voor kranten, terwijl Elisabeth pianolessen gaf. In 1897 werd jullie zoon Albert geboren. Van 1899 tot 1891 was je een docent aan de Nieuwe Universiteit in Brussel. Samen met de advocaat Charles Dejongh richtte je L'Action humaine op en voerden jullie een campagne tegen de doodstraf. In 1901 ging je naar Parijs terug. In de krant Le Matin schreef je over juridische zaken en in 'Mercurius' over de moderne kunst. Jouw literaire activiteiten waren sterk gedaald en je was de secretaris van Auguste Rodin. Je werkte mee aan Rodin's boek 'Les Cathédrales'.

Op 22 mei 1909 zijn Elisabeth en jij in een roomse kerk te Vanves getrouwd. In 1915 zijn Elisabeth en jij gescheiden. Jij overleed op 18 maart 1919 in de badplaats Menton. Je werd 58 jaar.

Schrijver: Joanan Rutgers
11 jul. 2020


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 24



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)