Decadente afweer tot de weerslag van het oertrauma
(voor Raymond Roussel (1877 - 1933))
Jij bent geboren op 20 januari 1877 op de Boulevard Malesherbes 25 in Parijs. De familie Proust woonde van 1873 tot 1900 op nr. 9. Jouw ouders waren Marguerite Moreau-Chaslon en de effectenmakelaar Eugène Roussel. Jouw familie was zeer rijk. Jouw oudere broer was Georges en jouw oudere zus was Germaine, geboren in 1873. In 1883 verhuisden jullie naar 50, rue de Chaillot (20, rue Quentin-Bauchart), waar jij vanaf 1928 tot jouw overlijden ook woonde. Dit huis is verwoest. Jouw moeder was bevriend met de acteur/regisseur/toneelschrijver Albert Carré en de zangeres Rose Lucile Meunier. Als kind ben jij door Madeleine Lemaire geschilderd. Jouw moeder was mogelijk morfineverslaafd. Zij had werk van vele, beroemde schilders verzameld. Marguerite de Rothschild, hertogin van Gramont, was jullie buurvrouw.
Op jouw 13-de jaar kreeg jij pianoles van Louis Diémer. Op jouw 15-de jaar ging jij naar het Conservatorium van Parijs om piano te studeren. Op jouw 16-de jaar, op 6 juli 1894 overleed jouw vader en begon jij gedichten bij jouw muziek te schrijven. Op jouw 17-de jaar schreef jij het lange gedicht 'Mon Âme', wat op 12 juli 1897 in 'Le Gaulois' verscheen. Op jouw 19-de jaar had jij een half jaar lang een extatische verlichtingservaring, een stralende scheppingsroes.
Op 10 juni 1897 verscheen jouw lange gedicht/roman in verzen 'La Doublure', over het carnaval in Nice, wat geen succes had. Hierdoor kreeg een mentale crisis/psychische instorting en jij ging in behandeling bij de psychiater Pierre Marie Félix Janet, leraar van Carl Gustav Jung. Door jouw erfenis (jij werd in 1894 multimiljonair) kon jij jouw eigen werken uitgeven en maakte jij luxueuze producties van jouw toneelstukken. Jij bewonderde Paul Bourget, Pierre Loti en François Coppée. In 1897 ontmoette jij Marcel Proust en Reynaldo Hahn in de salons. In 1899 schreef jij de eerste versie van 'Impressions d'Afrique', toen jij jouw Afrikaanse hotelkamer nauwelijks verliet. In 1899 ontmoette jij Jules Verne.
Tussen 1900 en 1914 schreef jij jouw belangrijkste werken. In 1900 verschenen jouw roman in verzen 'La Seine' en de roman 'Chiquenaude', in 1904 de dichtbundel 'La vue, Le concert et La source' en in 1910 de roman 'Impressions d'Afrique', later tot toneelstuk omgewerkt. Jouw moeder overleed in 1911. In 1914 verscheen de roman 'Locus Solus', met als hoofdpersoon de belangrijke wetenschapper/uitvinder Martial Canterel. Van 1920 tot 1921 maakte jij een wereldreis. Jij was vooral op Tahiti, net als Pierre Loti. Jij was bevriend met de surrealisten. In 1924 mislukte jouw toneelstuk 'L'Étoile au front' en in 1926 kreeg jouw laatste toneelstuk 'La Poussière de soleils' slechte recensies. In 1932 verscheen de dichtbundel 'Nouvelles Impressions d'Afrique'. Jij at 5 keer per dag en jij gebruikte psychotrope middelen. Jij woonde in een hotel, omringd met buitengewone kunstwerken. André Breton noemde jou 'de grootste moderne magnetiseur/hypnotiseur'. Jouw schrijfstijl lijkt sterk op het automatisch schrift. Jij schreef louter fantasie binnen een formele methode voor woorden, woordgroepen en zinnen, die Michel Foucault 'taalmachines' noemde, al is het pure prozapoëzie.
De toneelstukken van jouw boeken werden werden in Théâtre Femina, Théâtre Antoine en het Vaudeville uitgevoerd. Deze uitvoeringen ontaardden in gevechten. Jij schreef dagelijks van 8 tot 12 uur en jij reisde met een zelf ontworpen woonauto van 2,3 meter breed en 9 meter lang. Jij hebt jezelf zoveel mogelijk van de buitenwereld afgeschermd. Op een foto van jou, die in 1912 in Carlsbad is gemaakt, is duidelijk te zien hoe modieus en dandy-achtig jij gekleed was. Jouw zus Germaine trouwde met Charles Ney en zij was hertogin van Elchingen. Zij overleed in 1930. Jij schaakte graag en jij was een uitvinder. Jij was homoseksueel, maar dat heb jij nooit toegegeven. Jouw biograaf François Caradec heeft daar vaak op gewezen.
Begin juni 1933 ging jij met een jonge chauffeur en Charlotte Fredez naar Palermo. Jij verbleef in het Grand Hotel et des Palmes aan de Via Roma, in kamer 224. Op 2 juli 1933 deed jij een poging tot zelfdoding door jouw aderen met een scheermes door te snijden. Jouw butler Tomasso Orlando di Gaetano heeft jou verzorgd, net als jouw verpleegster/gouvernante Charlotte, die naast jou verbleef en de medicatie bijhield. Jij was van plan om bij de psychiater Ludwig Binswanger in behandeling te gaan.
Op 14 juli 1933 pleegde jij zelfdoding door een overdosis Soneryl-slaappillen te nemen. Jij had toen al jouw rijkdom opgemaakt. Jij werd 56 jaar en jij bent in de Begraafplaats Père-Lachaise begraven. In 1935 verschenen nog 'Comment j'ai écrit certains de mes livres' en het verhaal 'Parmi les noirs'.
2 juni 2026
Geplaatst in de categorie: idool

Geef je reactie op deze inzending: