De dichter en de duivel.
Er is een huis dat je koopt zonder te weten dat het al naar jou keek voordat jij de sleutel omdraaide. Een huis dat niet alleen muren heeft, maar ook een diepte, een onderstroom, een kelder die geen kelder is maar een doorgang naar alles wat onder de wereld ligt te wachten. In de dichter en de duivel daalt een dichter af, maar misschien daalt zij vooral af in de taal zelf: naar de plekken waar woorden hun glans verliezen en hun waarheid beginnen te tonen.
Onder de vloer van het gewone leven blijkt een markt te bestaan waar mensen stukjes ziel verhandelen alsof het een valuta is, alsof schuld, verlangen en schaamte allemaal een prijskaartje dragen dat van de toekomst kan worden afgetrokken. Terwijl de dichter verder loopt, langs politici die hun eigen echo's verkopen en influencers die hun schaduw hebben ingeruild voor een licht dat niets verlicht, wordt de hel niet voorgesteld als een plaats van vuur. Zij verschijnt als een toestand van vermoeidheid, een wereld die te veel van zichzelf heeft gezien en toch blijft doorgaan.
Er is een moment, ergens halverwege de afdaling, waarop de dichter niet meer weet of zij nog in een kelder staat of al in een droom die haar heeft uitgekozen. De lucht wordt dikker, alsof taal zelf begint te condenseren tegen de muren. Het licht komt van nergens en toch is alles zichtbaar, maar op een manier die niet geruststelt. Alsof de dingen hun eigen geheimen fluisteren en de dichter slechts toevallig meeluistert. In deze onderwereld is niets wat het lijkt, en juist daarom voelt alles eerlijker dan boven. De mensen die zij ontmoet dragen hun zonden als sieraden, hun verlangens als schaduwen en hun angsten als kleine huisdieren die zij aan een touwtje met zich meedragen. Het groteske wordt intiem, het absurde bijna teder.
De duivel die haar tegemoet treedt is geen figuur van vuur, maar van inzicht. Geen verleider, eerder een onthuller. Een aanwezigheid die toont wat mensen zichzelf aandoen wanneer zij vergeten dat een ziel geen bezit is maar een beweging. Hij spreekt niet in bevelen maar in echo's, en in die echo's hoort de dichter iets wat zij herkent: de vermoeidheid van een wereld die te lang heeft geloofd dat waarde alleen bestaat wanneer zij gemeten kan worden. De hel blijkt geen plaats van pijn, maar van optelsommen. Een administratie van het menselijk tekort.
Toch wordt deze afdaling nergens echt cynisch. Marsman laat de dichter kijken met een blik die scherp is maar niet koud, woedend maar niet zonder liefde. In iedere ontmoeting, hoe grotesk ook, blijft een restje menselijkheid zichtbaar dat weigert te sterven. Alsof de hel niet zozeer een straf is, maar een spiegel die te lang niet is schoongemaakt. De dichter loopt verder, niet als een held, maar als iemand die weet dat kijken een vorm van verzet kan zijn. Dat taal een manier is om niet mee te doen aan de logica van macht, markt en ruis.
En juist daar, in de diepte, begint iets te glinsteren dat niet past binnen de logica van verlies. Geen groot visioen, geen plotselinge verlossing, maar een vreemd licht dat zich lijkt te verschuilen in een kier tussen twee stenen. Wanneer de dichter zich ernaar toe buigt, blijkt het geen licht te zijn maar een herinnering. De herinnering dat de mens, zelfs in een uitgeholde wereld, nog steeds in staat is tot een gebaar dat niet berekend is, een woord dat niet verkocht wordt, een liefde die niet hoeft te renderen.
Het mysterie van het menselijke blijft zich verzetten, zacht maar onverzettelijk, als een plant die door beton heen groeit zonder te weten dat het onmogelijk is.
Langzaam opent zich een andere mogelijkheid. Geen paradijs dat blinkt, geen utopie die zichzelf overschreeuwt, maar een rafelige ruimte waar mensen elkaar weer kunnen aanraken zonder dat er iets terugverdiend hoeft te worden. Een plek waar taal niet wordt gebruikt om te overtuigen, maar om te verbinden; niet om waarde te creëren, maar om aanwezigheid mogelijk te maken. Het is een wanordelijk paradijs, een onvoltooide schets. Misschien is dat precies wat hoop is: iets dat niet af hoeft om waar te zijn.
Wanneer de dichter uiteindelijk terugkeert naar de wereld boven, draagt zij niets tastbaars met zich mee. Geen inzicht dat zich gemakkelijk laat citeren, geen moraal die kan worden onderstreept. Alleen een trilling, een verschuiving, een weten dat niet helemaal in taal past maar wel in adem. Alsof de onderwereld haar heeft geleerd dat de grens tussen licht en duister niet loopt tussen hemel en hel, maar door de mens zelf. En dat juist in die schemering de waarheid woont: rafelig, onvolmaakt, maar onuitwisbaar levend.
Zo wordt De dichter en de duivel een boek dat ondergronds gaat om boven de grond iets te redden wat we bijna kwijt waren. Een laatste ademtocht die niet naar einde ruikt maar naar begin. Terwijl de dichter terugkeert, of misschien alleen maar verder loopt, blijft er een spoor achter dat niet uit woorden bestaat maar uit een gevoel dat zich moeilijk laat benoemen: dat zelfs in de diepte, zelfs in de hel, iets zacht blijft branden dat weigert te doven.
Misschien is dat ziel. Misschien is dat taal.
Voor mij is dit boek daarom als goud. Niet omdat het zekerheid biedt, maar omdat het waarde bewaart in een tijd die alles wil omzetten in rendement. Waar anderen misschien slechts een verhaal zien, zie ik een reserve van menselijkheid, iets wat standhoudt tegen inflatie van betekenis. In die zin is dit boek mijn goud-ETF: een opslagplaats van waarde die niet in cijfers te vangen is. En misschien is dat precies waar Marsman ons aan herinnert: dat wat werkelijk kostbaar is, zich uiteindelijk onttrekt aan iedere markt. Wat de dichter uit de diepte meebrengt, is uiteindelijk geen antwoord, maar een herinnering aan wat niet verloren mag gaan.
... Kort na haar dood verscheen De dichter en de duivel, de laatste bundel van Lieke Marsman. Als een moderne Dante daalt zij af naar een onderwereld die verdacht veel lijkt op onze eigen samenleving. Politici, influencers en de permanente ruis van sociale media bevolken een werkelijkheid die tegelijk absurd en verontrustend herkenbaar is. Marsman observeert die wereld met een scherpte die soms aan satire doet denken. Tijdens het lezen voelde het alsof ik luisterde naar een oudejaarsconference, maar dan geschreven door een dichter die achter elke grap een existentiële vraag verborgen houdt. ...
Zie ook: http://spirituelefilosofie.blogspot.com
Schrijver: J.J.v.Verre.
13 juni 2026
Geplaatst in de categorie: actualiteit

Geef je reactie op deze inzending: