Daarbij de eeuwige belofte
(voor Boris Ryzhy (1974 - 2001))
Jij bent geboren als Boris Borisovitsj Ryzhy op 8 september 1974 in TTsjeljabinsk, Rusland. Jij had twee jongere zussen, o.a. Olga Sosnovskaya. Sinds 1980 woonde jij in Sverdlovsk, met de plek van het gesloopte Huis Ipatiev, waar de familie Romanov is vermoord en waar vanaf 2003 de Allerheiligenkerk staat. Na de middelbare school ging jij naar de Universiteit van Sverdlovsk, de Oeral Staats Mijnbouwuniversiteit op de Kuibyshev Straat 30. Net als jouw vader was jij mijnbouwkundig ingenieur, geoloog. Jouw moeder Margarita Ryzhaya was medisch specialist. De buren in het appartementencomplex waarin jij woonde, waren ex-gevangenen, die jouw karakter vormden. Jouw vader vertrok vroeg en kwam na middernacht thuis. Hij had een privé-chauffeur. Hij was mineraloog en professor aan de Mijnbouwuniversiteit, waar jij later als wetenschappelijk medewerker werkte. Het was een zeer gecompliceerd en gevaarlijk milieu. Jij voelde sympathie voor de ongelukkige criminelen om jou heen. Jouw jeugdvrienden overleefden de criminele hardheid niet. Jij vond het beschamend dat jij nog leefde, terwijl velen van jouw vrienden het niet hebben gered. Zij waren vaak lijfwachten van de maffia.
Op jouw 14-de begon jij met boksen en gedichten schrijven. Jouw gedichten gaan vaak over de buurt, waarin jij opgroeide. Jij bleef door die buurt met misdaad en gangsters beïnvloed. Jij was wortelloos en zeer eenzaam. Jij woonde in een arbeiderswijk met drankmisbruik en straatgeweld, zwervers en hooligans, die jij trouw bleef. Jij had een bipolaire stoornis en jij gebruikte alcohol en drugs. Jij was zwaar depressief. Jij was een dichter en jij publiceerde ook vele wetenschappelijke artikelen over o.a. kerngeofysica. In 1991 viel de Sovjet-Unie uiteen. Er ontstonden verschillen tussen arm en rijk en bendes plunderden en moordden. Jij voelde jezelf in het individuele en economische onzekere Rusland nergens thuis. Jij had heimwee naar het communisme van voorheen en jij had een afkeer van het kapitalisme. Jij vond de sociale ongelijkheid schrijnend, bijvoorbeeld de wodkazuipers in jullie portiek, kapotgemaakt door de perestrojka.
Op 27 december 1991 trouwde jij met jouw klasgenote en jeugdliefde Irina Knyazyeva. Op 19 januari 1993 werd jullie zoon Artjom geboren. In 1997 publiceerde jij gedichten in tijdschriften in Sint-Petersburg, zoals 'Zvezda' en 'Znamya'. In 1997 schreef jij o.a. het gedicht 'Bij de dood van een dichter', waarschijnlijk voor Joeri Lobantsev geschreven. In 1999 kreeg jij een Russische literatuurprijs. In 1999 deed jij een poging tot zelfdoding. Door jouw huwelijksproblemen nam jouw alcoholisme toe. In juni 2000 werd jij uitgenodigd voor Poetry International in Rotterdam. In Rotterdam schreef jij voor Artjom het gedicht 'Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego'. Na Poetry schreef jij 'Rotterdams Dagboek'. Na een ontwenningskuur inzake alcohol heb jij jezelf 's nachts op 7 mei 2001 in jouw ouderlijk huis opgehangen. Jij werd 26 jaar. Jij liet ruim 1000 gedichten na. Op jouw schrijftafel lag een stuk papier met de woorden 'Ik heb van jullie allemaal gehouden, geen grap! Jullie Boris'. Jij werd postuum onderscheiden met de Noordelijke Palmyra voor jouw dichtbundel 'Een reden om te leven'.
In 2009 maakten Aliona van der Horst (Moskou, 1970) en Maasja Ooms (1968) de indrukwekkende documentaire 'Boris Ryzhy'. In deze film zijn jouw vrouw Irina en jouw zoon Artjom te zien, jouw zus Olga, jouw beste vriend Sergej Loezin en jouw vriend, de dichter Oleg Dozmorov. Er zat een groot litteken op jouw linkerwang. Als kind was jij gevallen. Jij verzon er allerlei enge verhalen bij. Jij woonde in de Staalschrootwijk, met allemaal troosteloze industrieterreinen. Jullie woonden op nummer 30. Sergej Loezin noemde jou 'een goede hooligan, die goed kon vechten'. Jij bent begraven in de naamloze begraafplaats in Jekaterinenburg, bij de criminele kameraden van vroeger. In de documentaire zegt Irina over jouw zelfdoding: 'Misschien was het een vergissing. Maar misschien zou hij het opnieuw doen. Dat weet niemand.'. In september 2020 is Artjom door een hartstilstand overleden.
Bij de dood van een dichter
Ik hou zo van de ironie in mijn gedicht.
Ik draag het leven als een opdracht uit -
als brandewijn, hopend op vergetelheid,
drink ik het leeg, al wring ik mijn gezicht.
Ik doodde, u zat Doom te spelen
tot u met krachteloze leden uitgeleefd was.
Hoe clichématig uw zo vrije geest was
kon geen beweging van u meer verhelen.
Maar u hebt mij geleerd: dat is décor,
publiek, dat zijn coulissen, schuifpanelen.
U leefde slechts doordat u speelde.
Ik leefde en ik speelde slechts daardoor.
U kon op het toneel zoveel vertolken.
Maar ik sloeg tegen wanden met mijn roemloos hoofd.
En toch, in iets dat essentieel was en beloofd
heeft u mij onwaarschijnlijk veel geholpen.
Ik heb, zo denk ik, in mijn lied
iets nieuws gebracht toen ik u tegenkwam,
en al uw woorden in mijn verzen overnam,
zoals een scheermes, zonder afkeer niet.
(vertaling: Richard Nowak)
Zwarte engel op witte sneeuw,
honderdvoudig verminderd door een sombere magiër.
De dood is droevig, maar om te leven kan ik niet.
In het troosteloze park is er niemand in de buurt.
In het troosteloze park is er altijd stilte,
en staat er een dennenboom - als een vreemde - die
overeind valt.
Leun ertegenaan, neem de wijn
die - bij het hart - in de zak ligt.
Ik wilde me herinneren; Maar
eerst vernederde hij en en daarna doodde hij.
Het is te koud in deze lichte jas.
De engel slaat met zijn zwarte vleugels.
- Vlieg naar je hemel, mijn lief,
en vertel, alsof God nog leeft:
het is nog steeds, zegt hij, winter, nog vredig,
gewoon een dwaas die eenzaam is.
(vertaling: Tom Dolack)
21 juni 2026
Geplaatst in de categorie: idool

Geef je reactie op deze inzending: