De kuur was erger dan de kwaal
(voor Sándor Reményik (1890 - 1941))
Jij bent geboren op 30 augustus 1890 in Cluj-Napoca, Roemenië, toen Kolozsvár, Oostenrijk-Hongarije. Jouw vader Károly Reményik (1857 - 1935) was een rijke architect, voorzitter van de Ambachtsvereniging van Cluj en beheerder van het lutherse dorp. Jouw moeder was Mária Bretz (1863 - 1930), een literatuurkenner. Jij was van adellijke afkomst. Jouw overgrootvader was de edelman János Reményik, getrouwd met Mária Gömörij, dochter van de stadsrechter van Dobsiná. Jouw grootouders van moederskant kwamen uit Dobsiná en die van vaderskant waren de ijzergroothandelaar uit Cluj-Napoca Lajos Reményik (1812 - 1906) en Matild Nickl (1830 - 1912). Na de lutherse basisschool ging jij naar de Gereformeerde Middelbare School op de Farkasstraat 16. In 1902 is er een nieuw collegegebouw aan de Petõfistraat voltooid, ontworpen door Erika Paulas Mária Irene. De dichter Áprily Lajos was daar ook een leerling.
Vervolgens studeerde jij rechten aan de Hongaars Koninklijke Franse Joseph Universiteit in Cluj, gebouwd tussen 1893 en 1902. Het bedrijf van jouw vader was de aannemer. De filoloog/literatuurhistoricus Moldován Gergely was rector en hoofdprofessor Roemeense Taal en Literatuur. De hoogleraren rechtsgeleerdheid waren György Jancsó en Lajos Farkas. De hoogleraar strafrecht was Lukáts Adolf. Vanwege een oogziekte slaagde jij niet voor jouw eindexamen. Jouw vrienden waren de dichter/advocaat Lajos Olosz en de schrijver/gereformeerde bisschop Sándor Makkai, getrouwd met Margit Borsay, met wie hij László en Sándor kreeg. Olosz was bevriend met de schrijfster/dichteres Mária Julianna Berde. Jij liet hem voor de poëzie kiezen en jij publiceerde zijn gedichten in literaire tijdschriften. In 1916 verscheen jouw poëzie in het literaire tijdschrift 'Új Idok' (Nieuwe tijden), opgericht in 1894. Vanaf 1918 was jij een vaste medewerker van het literaire tijdschrift 'Erdélyi Szemle' (Transsylvanische recensie), met als hoofdredacteur de schrijver Dezsö Kovács, getrouwd met de schrijfster Mária Pap. Mária Berde en Sándor Makkai publiceerden ook in dit tijdschrift. Jouw vertalingen van Rainer Maria Rilke werden ook gepubliceerd. Jij leefde van jouw erfgoed en literaire activiteiten.
In 1918 verscheen jouw dichtbundeldebuut 'Maretak'. Van 1921 tot augustus 1923 redigeerde jij het tijdschrift 'Pdsztortüz' (Herdersvuur), van 1927 tot 1930 was jij redactielid en vanaf 1934 weer hoofdredacteur. Vanaf mei 1938 was jij de eigenaar. Het tijdschrift publiceerde ook werk van de dichter Dsida Jenö, die op 7 juni 1938 door een hartziekte overleed. Hij werd 31 jaar en hij is in de Házsongárd-begraafplaats in Cluj-Napoca begraven. Zijn vrouw was Melinda Imbery. Dsida en jij waren lid van de Helikon schrijverswerkgroep in Marosvécs, opgericht door de schrijver/dichter/baron János István Kemény, getrouwd met Auguste Paton, met wie hij 6 kinderen kreeg. De bijeenkomsten waren vanaf 1926 in het kasteel van Marosvécs. In jouw appartementen aan de Donáthstraat en de Szentlélekstraat ontving jij o.a. jouw vriendin Gabriella Sz. Szappanos. Zij was een schrijfster/journaliste, geboren op 19 september 1896 in Tötör, Roemenië. Haar man was de journalist Endre Szász. De lovende criticus/schrijver László Németh schreef over jou: 'Als de aarde zich opent onder de samenleving, springt een dichter uit de afgrond!'.
De dichteres/landschapschilderes Piroska Szöcsné Szilágyi (1889 - 28 oktober 1931) en de dichteres Ilona Judikné Imre (1894 - 8 juni 1935) waren van grote betekenis voor jou, ook voor jouw poëtische vooruitgang. Piroska en jij inspireerden elkaar. Zij was jouw meest intieme zielsverwant en zij woonde in een villa in Rózsadomb. Ilona was jouw schoonzus. Jij was een dichter van het Literaire Transsylvanisme, waarvan de schrijver Dózsa Endre de voorzitter was. Na het Verdrag van Trianon op 4 juni 1920 was jij diep geschokt en leed jij psycho-somatisch. Het verlies van jouw vaderland maakte jou zwaar depressief. Jij zat maandenlang in sanatoria en vanaf 1925 voelde jij, dat jouw volk absoluut uiteenviel. Jij zat o.a. in het Hárshegy-sanatorium in Boedapest. Jij raakte verslaafd aan morfine en jij kreeg insulinebehandelingen, wat hetzelfde effect als electroshocks gaf. Rond 1932 maakte István Nagy een helder portret van jou. Tijdens een insulinebehandeling op 24 oktober 1941 in Cluj-Napoca ben jij overleden. Jij werd 51 jaar en jij bent in de Házsongárd-begraafplaats begraven. Op jouw grafsteen staat: 'Ik geef je een vlam, koester het, geef het door'.
Piroska is in de Farkasreti begraafplaats in Boedapest begraven, net als László Németh en Berta Boncza (Csinszka), de vrouw van de dichter Endre Ady, en de schilder Ödon Márffy. Berta overleed op 24 oktober 1934 in Boedapest door een beroerte. Zij werd 40 jaar. Jouw mooiste gedichten voor Piroska zijn eigendom van haar familie en niet geopenbaard. In 2018 verscheen 'Eeuwig Vuur' van Jelenczki István (1956, Boedapest), een portretfilm over jou. Op de binnenplaats van het lutherse bisdom in Cluj-Napoca staat een buste van jou op een sokkel.
21 juli 2026
Geplaatst in de categorie: idool

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!