1982 Begeerte 3
Bjarne verlangde naar een soort liefde die Frits hem niet kon geven. Af en toe ging Bjarne de tweede woonkamer binnen om naar de schilderijen te kijken. Naakte niets verhullende aantrekkelijke vrouwen vastgelegd met olieverf, levensgroot en bijna net zo echt als de werkelijkheid. Bjarne kon er niet lang naar blijven kijken, want hij wilde verder met lezen in het boek.
Buiten, achter de grote ramen, begon het te waaien. Frits kroop nog dichter tegen Bjarne aan alsof hij wilde meelezen in het boek. Er kroop een rilling over zijn rug. Het was alsof Bjarne in een groot complot terecht was gekomen.
Hij deed zijn best om zijn eigen overlevingsstrategie veilig te stellen, maar de werkelijkheid was zo weerbarstig dat het leek alsof de afgrond ieder moment weer naderbij zou snellen.
Zenuwachtig liep Bjarne Gosse naar de grote ramen om de gordijnen te sluiten.
Frits miauwde. Hij had weer een dode muis gevangen.
De retoriek van het leven liet nieuwe stemmen horen. Bjarne Gosse was op zoek naar liefde.
Het was weer tijd voor een gedicht. Hij haalde zijn Havermoutschrift te voorschijn. Hij moest iets over de begeerte schrijven. Een schaduw die altijd met hem meeliep.
De jeugdige Bjarne moest plotseling aan zijn klasgenoot de rijke tuinderszoon Arthur denken. Hij had zijn grappige bedoelde opmerking niet begrepen tijdens de pauze op school. Arthur had een uitstraling die Bjarne telkens weer ademloos achterliet. Zijn helderblauwe ogen staken scherp af tegen zijn zongebruinde huid. Ze hadden de intensiteit van een kalme, diepe oceaan waarin je makkelijk kon verdrinken.
Zijn haar was een weelderige bos van goudblonde, golvende lokken. De zon leek er altijd in te spelen, zelfs op bewolkte dagen. Enkele plukken vielen nonchalant over zijn voorhoofd, wat hem een jeugdige, charmante dynamiek gaf. Deze zachte, lichte trekken vormden een prachtig contrast met zijn krachtige, mannelijke kaaklijn en zijn atletische postuur.
Arthur was de focus van Bjarnes ontluikende, onuitgesproken begeerte op school. De "grappig bedoelde opmerking" was in werkelijkheid een (mislukte) flirt of een afwijzing. Arthur representeerde de nuchtere, welvarende buitenwereld die haaks stond op Bjarnes artistieke en melancholische binnenwereld.
De herinnering aan Arthur bracht geen inspiratie voor het gedicht over begeerte in het Havermoutschrift. Gefrustreerd sloeg Bjarne het schrift weer dicht en staarde naar de reflectie van het lamplicht op de ruiten.
Frits gaf een zachte, vragende miauw. Hij drukte zijn kopje tegen Bjarnes hand. Misschien was de liefde dichterbij dan Bjarne dacht. Niet in de rijke, onbereikbare tuinderszoons of de levensgrote olieverfschilderijen, maar in de onvoorwaardelijke, stille aanwezigheid van de kat in het stormachtige herenhuis.
De telefoon ging. Eindelijk lukte Bjarne het om met Jan Boter door de telefoon te praten. Bjarne vertelde hem over het duivelse plan van Maarten Wolvenknaap en over de kwetsbare positie van Gerard Vroeg. Hij luisterde met grote belangstelling en stelde Bjarne gerust. Hij hoorde het hem wel twee keer zeggen:
“Alles komt goed Bjarne, maak je maar geen zorgen.”
Twee dagen later kwam Bjarne Maarten tegen in de Nachtraaf. Hij liep onnozel op te scheppen dat hij hoofdpersonage was in de nieuwe roman van Jan Boter. Hij had een andere naam gekregen, een andere kleur haar en een ander postuur, maar hij wist het zeker. Hij was de hoofdpersoon in de nieuwe roman van Jan Boter.
Later op de avond hoorde Bjarne dat Gerard Vroeg in een andere stad was gaan wonen met een van zijn vriendinnen.
In de krant las Bjarne dat er een schrijversruzie gaande was tussen Gerard Rat en Jan Boter. Rat beschuldigde Boter van plagiaat.
Gerard Rat ontdekte dat het nieuwe boek van Jan Boter exact leek op een manuscript dat Gerard Vroeg (die kwetsbaar was) ooit schreef. Jan Boter had Gerard Vroeg onder druk gezet of afgekocht om naar een andere stad te verhuizen, zodat Vroeg zijn mond zou houden. Maarten Wolvenknaap herkende zichzelf in het boek, omdat het oorspronkelijke manuscript van Vroeg over hun gezamenlijke vriendengroep ging.
Ondertussen dwaalden de gedachten van Bjarne opnieuw naar de blonde Arthur.
Het was alsof elk geluid in de kamer vervaagde tot een zacht geruis, overstemd door de herinnering aan hun laatste gesprek. Arthur had toen zo stellig geklonken, bijna wanhopig. Bjarne staarde naar het flakkerende licht van de lantaarn buiten en vroeg zich af of hij die avond de juiste keuze had gemaakt. De klok aan de muur tikte genadeloos door, terwijl de stilte in huis zwaarder begon te wegen.
Bjarne sloot zijn ogen, maar dat maakte de herinnering alleen maar scherper. Hij zag Arthurs blauwe ogen weer voor zich, wijd open en glanzend van de onuitgesproken angst, en de manier waarop zijn vingers zich in de stof van Bjarnes jas hadden gegrepen. “Als je nu gaat, is er geen weg terug,” had Arthur gefluisterd. Zijn stem had getrild, een zeldzaam breekbaar moment voor iemand die normaal zo onverwoestbaar leek.
Geplaatst in de categorie: emoties

Geef je reactie op deze inzending: