Mannen op de Maan
Ze heeft gedroomd. Een verwarrende droom, een droom met waarheden die alleen in een droom waar kunnen zijn. Woemi vertelt het me, die droom. Ze vertelt het me meer dan eens. Het is net of in die droom de sleutel ligt van haar bestaan, van haar zijn. En van het mijne. Want Woemi, dat ben ik, en ik, dat is Woemi. Of ik haar nu dood laat zijn, of levend , het is niet belangrijk, ze is van mij, alleen van mij.
Ze vertelt me hoe blauw de hemel was in haar droom. Net zo blauw als op deze eerste onverwachts mooie winterdag. Het moet ook net zo koud geweest zijn, maar daar vertelt ze nooit iets van.
Ze ligt lekker warm ingepakt onder een dik pak dekens, veilig en beschermd.
Aan het voeteneind in zijn glazen koepel zit Donkermannetje, hij bestuurt het bed waarin ze ligt. De vliegeniersklep stoer stijf op zijn kop, zoals Tofield, haar vader die had. De stuurknuppel nonchalant in een hand, in de andere een sigaret. Handen gemaakt om een DC6 te besturen en over de oceaan te vliegen. Handen gemaakt om vrouwen te beminnen.
Zo zit Donkermannetje daar, en hij lacht. Steels, ondeugend. Natuurlijk Woemi is nog kind, maar toch ook al vrouw. Dan begint het bed te zweven. Donker, sonoor en vertrouwd klinkt het geluid van de motoren. En lichtjes, maar niet verontrustend begint het bed wat te trillen. Hij zal haar meenemen de lucht in , op weg naar weidse verten, Ins Blaue hinein.
Woemi geniet. Nog maar net is ze met Donkermannetje uit de onderaardse krochten gekomen, heeft spoken, spelende kinderen, bergen en draken gezien. Machtig. Er is een blos op haar wangen gekomen. Een blos die ze later alleen nog maar zal krijgen als hij haar neemt. Langzaam, vurig, intens. Dan gaat ze gloeien, verspreid ze een warme, rossige gloed. De reis eindigt bij kapper Schoen. Natuurlijk, kapper Schoen en zijn schier oneindige stapel Donald Ducks. Zoveel, daar moet ieder kinderhoofd wel van op hol slaan.
Buiten wacht Cornelis, haar stiefvader, met haar halfbroers en zusje in de Kever. Jammer dat het voorbij is. Haastig neemt ze afscheid van Donkermannetje en de kapper. Die glimlacht, zo jong nog en al zoveel fantasie.
Ook in de auto vindt ze weinig gehoor. Cornelis' eigen kroost jengelt, ze hebben te lang moeten wachten. Woemi, de oudste, zit in de kattenbak. Het is er krap, maar intiem. En het is de plaats waar je naar de hemel kan kijken. Waar je de lichten voorbij kan zien glijden en de maan kan zien. Het is de plaats waar je het dag kan zien worden, de dag die mooi belooft te worden, onverwachts mooi, zonnig en blauw.
De dag waarop ze die andere droom had. Die droom dat Donkermannetje haar meevoerde. Ze liet zich als het ware door hem verleiden om mee te gaan, verder en verder, hoger en hoger. Eerst was ze nog bang geweest. Net al ieder kind. Moest er een lampje schijnen in de hoek van de kamer. Moest Charlotte nog ieder uur haast even kijken gaan, of ze wel rustig sliep, of haar ademhaling niet angstig en gejaagd was. Legde ze haar hand beschermend op het dek, speelde even met de krullen van haar liefste dochter. Nu nog was haar neus een onmogelijk onding in het fragiele kindergezicht, en leken haar bleke benen op houten stelten. Maar straks, later zou ze mooi en verleidelijk worden. Dan zou haar gezicht voller worden en die neus minder prominent zijn, dan zou er vlees komen op de benen, stoer stekend uit een jongensshort. Nog even bleek, dat wel.
Voordat ze weer naar beneden gaat kijkt Charlotte uit het kinderraam, ziet ze de maan die de kamer verlicht. Ze sluit het gordijn, maar niet helemaal. Er moet een kijkgaatje zijn, een kleintje maar, waardoor Tofield zijn dochter kan zien slapen. Nergens voor nodig, want Woemi is in haar droom al naar hem onderweg, zit in een raket naar de maan, daar heeft ze met hem afgesproken.
'Maar hoe herken ik je dan?' Woemi is niet bang meer sinds ze Donkermannetje heeft leren kennen, is ook geen gewoon kind meer, maar toch. In je eentje zomaar met een raket naar de maan. Dat kan alleen de Thunderbird 3 weet ze. De Apollo, die moet nog gebouwd.
'Wat denk je' lacht Tofield, 'wat denk je?'
In ene weet Woemi het. 'M'n neus' zegt ze, 'm'n moeder zegt altijd dat ik een echte Tofieldneus heb, is dat zo papa?' En ze hoort Tofields bulderende lach helemaal vanaf de maan naar beneden rollen.
'Schiet nou maar op' zegt hij uiteindelijk, als hij uitgelachen is, 'straks mis je je raket nog.' Ja, het is al bijna dag en ze moet weer naar beneden, anders zou Charlotte maar ongerust worden.
'Waar bleef je al die tijd?' Charlotte is oprecht knorrig en zelfs geïrriteerd.
'Bij papa, op de maan'
Pff, wat een onzin, waar haalt zo'n kind het vandaan. Papa is dood, ze zal het met Cornelis moeten doen. Net als zij overigens. Ruw en gehaast helpt ze het kind in haar jas, en stopt de boterhammen in haar tas. Maar het dropje dat ze haar kinderen altijd meegeeft onthoudt ze Woemi niet. Net als ze er is als ze terugkomt vanmiddag en thee heeft en een halve, vaak al wat uitgedroogde sinaasappel. Of een al bruin geworden stukje banaan. En, omdat ze zo lief kijkt, mag ze ook wat hapjes van het fruitprakje van de baby.
Die hele maangeschiedenis is Charlotte dan allang weer vergeten. Woemi niet. Die vliegt vannacht weer. Donkermannetje heeft het beloofd en Tofield zal op haar wachten. Als ze een raket eerder terug vliegen is er niks aan de hand, en hoeft Charlotte niet boos te zijn. Pas later, als ze weg is, zal Charlotte door het raam van de vroegere kinderkamer weer naar buiten kijken om de maan te zien. Ze gelooft in God, ze gelooft in Maria, maar in de maan? Waarom is er in ene dan zo van overtuigd dat ze daar zitten, Tofield en haar dochter? Wat een onzin. En, gewoontegetrouw, sluit ze het gordijn tot op een kiertje. Ook al zal Woemi er nooit meer slapen.
En dan is er die droom, die anders is. Kind is ze niet meer, naar Tofield vliegt ze allang niet meer. Donkermannetje is groot, sterk en knap geworden, lijkt in niks meer op haar jeugdvriendje.
Het is de laatste droom waarin ze vliegen zal. Dertien is ze, heel langzaamaan wordt het tijd om afscheid te nemen van Cornelis en Charlotte, om naar het westen te komen, om er ziekenverzorgster te worden en om een man te vinden die van haar houden zal.
Het is een prachtige droom, in mooie heldere kleuren. Het lichtblauw van de lucht overheerst, maar er is ook het gele van de zon en het rood van de daken van de huizen. De kinderlijke raket is ingewisseld voor een volwassen vliegend bed. Traag verheft het zich boven de huizen , Woemi ziet haar huis, haar buurt, haar stad kleiner en kleiner worden. De ruimte gaan ze niet halen met zo'n bed natuurlijk. Donkermannetje volgt de vogels die voor haar vliegen. Meeuwen, grote witte meeuwen. Zegt ze. Heeft ze me altijd gezegd.
Totdat we voor het schilderij staan. Ze is er door geobsedeerd.
'Ze zeggen dat het zijn laatste schilderij is geweest, 'Kraaien boven een korenveld'' Woemi luistert. 'Daarna schoot hij zichzelf dood' doceer ik verder. Woemi weet het wel, maar is toch stil, en onder de indruk. Te stil eigenlijk, voor een vrouw, en voor Woemi zeker. Voor haar moet er altijd gepraat worden. Onder de voetbal, tijdens de film, in de kerk of waar ook. Alleen tijdens het neuken is ze stil. Even dan.
'Het waren geen meeuwen maar kraaien, weet je dat?' bekent ze. Geen meeuwen maar kraaien. Nu is het mijn beurt om stil te zijn. De dokter heeft gezegd dat het goed was. Dat er geen uitzaaiingen waren.
'Je klieren zijn schoon', dat heeft ie gezegd. Heeft hij het gezegd? Heeft hij het niet gezegd? De waarheid, zo onbelangrijk, zo onbenullig, zo plat, zo minderwaardig bijna. Dood is ze, dood, net zo dood als haar vader. Nee. Nee. Liever droom ik.
'Ben je bang in het donker, Jorrit?' fluistert ze in mijn oor als ik slaap.
'Je hoeft niet bang te zijn hoor Jorrit, in het donker. Straks gaat de maan schijnen en zie je me zitten, ik zal wel zwaaien, goed?' Ik ben volwassen. De raketten zijn wel groter geworden, en de bedden sterker, maar ze houden me nog niet. Woemi op haar maan is onbereikbaar voor me. Ik geloof er trouwens geen barst van.
Maar Charlotte? Het gordijn blijft op een kiertje. Je kan nooit weten.
... Woemi vertelde me ooit een droom, een mooie droom, een warme droom.
Maar ze loog. ...
Geplaatst in de categorie: afscheid

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!