Muurtje
Ze zitten op de lage betonnen muur bij het fietsenhok. Hun rugtassen leunen tegen elkaar.
Hij schuift een kiezelsteen heen en weer met de neus van zijn schoen. Zij trekt een draadje los uit haar mouw en wikkelt het om haar vingertop tot die wit wordt. Achter hen slaat een bal tegen metaal.
Hij kijkt opzij. Ziet de boog van haar oor, een pluk haar die uit het elastiek is geglipt.
Hij zoekt iets om te zeggen en vraagt naar de wiskundetoets van het afgelopen uur.
Ze knikt naar haar schoenen, zegt dat ze vlak voor de bel een antwoord heeft veranderd. Het voelde beter dan eerst, ook al klopte het zo niet meer.
Van wiskunde begrijpt hij weinig. Hij knikt.
Stilte.
Hun knieën raken elkaar. Geen van beiden beweegt. Hij houdt zijn adem in, zij ademt kort, gejaagd.
De bel gaat. Ze staan tegelijk op, te snel, alsof ze betrapt zijn.
‘Tot morgen,’ zegt hij.
‘Ja,’ zegt zij. ‘Morgen.’
Ze lopen elk een andere kant op. Drie passen. Dan kijken ze om.
Precies tegelijk.
Geplaatst in de categorie: kinderen

Geef je reactie op deze inzending: