Toegang
Enkele weken na de begrafenis maakt Anna het nestkastje schoon. Tussen oude veertjes en mos ligt een goudkleurige sleutel. De baard heeft de vorm van een kruis, de kop is opengewerkt.
‘Kijk eens,’ zegt ze ’s avonds aan tafel tegen haar dochter.
Mariekes vork blijft halverwege boven de tafel hangen.
‘Waar heb je die gevonden?’
‘In het nestkastje.’
Marieke neemt de sleutel in haar hand.
‘Hij zou hem weggooien.’
‘Wie?’
‘Papa.’
‘Je kent de sleutel?’
‘Hij had hem jaren altijd bij zich.’
‘Waar paste hij op?’
‘Dat wist hij niet.’
‘Onzin. Hoe kwam hij eraan?’
‘Hij zei dat hij hem gevonden had.’
‘Waar?’
‘Dat wist hij niet meer.’
‘Dat kan toch niet?’
‘Dat zei ik ook.’
Marieke legt de sleutel op tafel.
‘Gooi hem weg, mam.’
‘Waarom?’
‘Omdat je anders hetzelfde gaat doen als hij.’
‘Wat deed hij dan?’
‘Zoeken.’
‘Dat klinkt niet zo erg.’
Marieke verschuift wat sperziebonen over haar bord.
‘In het begin niet. De week voor hij stierf hadden we ruzie.’
‘Waarover?’
‘Over dat ding. Ik zei dat hij zijn tijd verspilde.’
Marieke schuift de sleutel van zich af.
‘Gooi hem weg.’
De volgende ochtend probeert Anna de sleutel op de voordeur.
Hij past niet. Niet op de kast in de schuur. Niet op de gereedschapskist.
Tegen de middag zit ze voor zijn bureau.
In de bovenste la liggen pennen, paperclips en een leesbril met een krom pootje.
In de onderste la vindt ze een foto. Een lege kloostergang. Hoge ramen. Licht op de tegelvloer. Op de achterkant staat: Sint Petrus.
‘Weet jij hier iets van?’ vraagt ze die avond.
Marieke trekt de foto naar zich toe.
‘Geen idee,’ zegt ze. Ze schuift de foto terug. ‘Je bent begonnen.’
‘Waarmee?’
‘Met zoeken.’
‘Ik probeer alleen te begrijpen.’
‘Dat zei hij ook.’
Marieke staat op en loopt weg. Bij de deur blijft ze staan.
‘Op het laatst had hij het nergens anders meer over.’
Maanden later bezoekt Anna het retraitecentrum.
In de kapel trekt ze haar jas uit. De sleutel glijdt uit haar zak en tikt op de stenen vloer.
Een oude priester bukt en raapt hem op.
Hij draait hem tussen zijn vingers.
‘Waar hebt u die vandaan?’
‘Van mijn man.’
De priester knikt.
‘Bijzonder.’
‘Kent u hem?’
De priester kijkt nog eens naar de sleutel.
‘Ik heb er eerder een gezien.’
‘Waar?’
‘Hier.’
‘En waar paste die op?’
De priester geeft de sleutel terug.
‘Dat weet ik niet.’
‘Maar iemand moet het toch weten?’
‘Dat dacht die andere man ook.’
Thuis legt ze haar boodschappen op het aanrecht. De sleutel legt ze in de bureaula.
Ze schuift de la dicht.
De volgende ochtend is de sleutel verdwenen.
Geplaatst in de categorie: overig

Geef je reactie op deze inzending: