Inloggen
voeg je autobiografie toe

Autobiografieen over ziekte

Een pijnlijke affaire

Het begon met een probleem bij de afwatering. Niet op de schaal van Limburg, maar op persoonlijke schaal. Als ik naar de wc ging, kwam er een klein beetje uit, waarna ik teleurgesteld het toilet verliet om te ontdekken dat ik eigenlijk naar de wc moest.

Dus maar naar de dokter, een vervangster van mijn eigen huisarts. Die dokter constateerde na twee bezoeken dat ik een lichte blaasontsteking had die, met enig geluk, vanzelf over zou gaan. In tussentijd kreeg ik pillen die afwatering wat vereenvoudigden. Inderdaad ging het twee weken best goed. Maar plotseling kreeg ik een acute blaasontsteking, zoals dat heet. Dat is niet leuk en voor een man al helemaal niet. Ik moest ongeveer elke twintig minuten naar de wc om een pijnlijke poging te doen wat kwijt te raken en merkte na een aantal keer tot mijn schrik dat er ook nogal wat bloed, deels gestold, mee door de plasbuis kwam.

Die nacht deed ik dus geen oog dicht. Elke twintig minuten ging ik weer en steeds weer. Van nood belden we maar de huisartsenpost in de hoop op een eenvoudige oplossing. Die was er niet, maar ik moest maar langskomen. Gelukkig wonen we op tien minuten rijden van de huisartsenpost, zodat ik zonder nadere problemen het toilet daar bereikte en, op hun verzoek, ook een potje vulde met bloed en urine. Hij hoefde niet vol, zeiden ze, en dat was maar gelukkig ook want vol kreeg ik hem natuurlijk niet.

De, opnieuw een voor mij vreemde vrouwelijke arts, die mij uitnodigde voor onderzoek, vroeg mij na enkele antwoorden mij van onderen uit te kleden – waarna ik besloot mijn sokken aan te houden om toch nog enig decorum hoog te houden. Decent schoof ze een wand naast de tafel waarop ik moest liggen en ging aan mijn kant van de wand staan. Het was, zo verklaarde ze, omdat ze zo’n moeite had de gordijnen dicht te krijgen. De boodschap voor mij had kunnen zijn, dat ze dus erg onhandig was, maar ik was zo verstandig om mij dat op dat moment niet te bedenken.

Hierna ging over tot martelen. Eerst met een spuit om de plasbuis te verdoven, wat al gigantisch pijn deed, en vervolgens met een buisje waar een ballonnetje aan zou zitten. Ik geloofde het maar. Ik heb het allemaal niet bekeken, terwijl ik mijn adem inhield.

‘Uitademen,’ zei ze dan weer, waarna ik inademde om te kunnen uitademen en zij weer de volgende stadium van pijn bracht op plaatsen waar ik wel wist dat ik gevoel had, maar van een heel andere orde. Ik vind ook dat een piemel iets is dat je ergens in steekt, bij voorkeur een vrouw, en dat het onnatuurlijk is om een vrouw juist daar iets in te laten steken. Mijn zenuwen waren het volstrekt met me eens en zonden zeer ernstige noodsignalen, maar mijn hersens waren slim genoeg om te blijven liggen. Die wisten, Jan, je kan geen kant meer op. Wat daaronder ook zit, je krijgt het er met geen mogelijkheid meer uit.

Vervolgens blies ze een ballonnetje op, zei ze. Ik voelde niets. ‘Doet het pijn?’ Nee, dat deed het niet. ‘Het mag geen pijn doen,’ gaf ze toe. Teleurgesteld? Ik denk toch niet. Hierna moest ze de blaas even legen. ‘Plas maar mee,’ vroeg ze vriendelijk, ‘het is misschien wel vreemd, maar het is wel goed.’ Dat vreemde kon ik wel beamen. Voor dat goede moest ik haar maar vertrouwen, maar da meeplassen, ik voelde helemaal niets meer van wat je zoals kunt voelen daar, dus ik deed wat, maar heb tot op de dag van vandaag geen idee of het enig effect had. Wat ik ook deed. Ik stopte er snel mee en zei drong verder ook niet aan.

‘Ik moet zien hoeveel urine erin zit. Als er heel veel zit, hebben we een probleem.’ In mijn hoofd veranderde ik dat we toch maar in ‘heeft u een probleem’, maar ik hield dat voor me om de sfeer niet de bederven. En toen moest het ballonnetje er weer uit

‘Ontspan maar. O, het ballonnetje moet wel eerst leeg natuurlijk.’ Zie je wel, toch onhandig. Net op tijd. ‘Adem maar uit,’ zei ze waarna ik weer inademde en rats, het ballonnetje was eruit met achterlating van een helse pijn.

‘Goed zo,’ becomplimenteerde ze me en ik wist bij god niet wat ik goed had gedaan. Stil liggen. In- en uitademen. Niet schreeuwen. Ik zal niet zeggen dat ik me ontspande, maar laat ik zeggen dat ik haar vertrouwde.

Ik kan mij voorstellen dat ze dat goed vond. Hierna mocht ik mij schoonmaken en weer aankleden. In het nagesprek was ze heel duidelijk: blaasontsteking en geen kanker. Dus kreeg ik antibiotica voorgeschreven en het verzoek om de door hen voorbereide verpakking voor CERTE bij CERTE in de brievenbus te doen. Daarbij kwamen we bijna nog in een conflict. Zij wees naar een muur linksachter haar en ik zei, ‘dat gebouw dat op een honingraat lijkt maar niet is en die kant op staat?’, rechts achter haar. Ze ging goed staan en keek nog een keer, ‘ja, jij hebt gelijk, het is inderdaad dat gebouw dat op een honingraat lijkt maar niet is en die kant op staat’. En zo verliet ik het pand.

De pijnen waren gauw vergeten. Die nacht kon ik niet slapen vanwege de continue aandrang en pijnlijke, schier zinloze lozingen, waarna ik om vier uur van nood de TV maar aanzette en Nieuwsuur ging kijken. De ellende van dat programma, leidde mijn gedachten af van de ellende van mijzelf. Eerlijk gezegd weet ik niet eens waar het programma over ging, want eindelijk, eindelijk was ik in slaap gevallen.

Schrijver: Jan R. Lønsing, 5 aug. 2021


Geplaatst in de categorie: ziekte

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 106



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)