Inloggen
voeg je autobiografie toe

tabblad: autobiografieen

< vorige | alles | volgende >

autobiografie (nr. 497):

De verboden waarheid.

Onze vader was er zelden, behalve op zaterdagavond en dan kwam er limonade met een kozak voor de kinderen en spelletjes op de tv. Vader kreeg een biertje en ik mocht de schuim eraf happen. Wij waren een van de eersten met een tv en wij waren beter dan andere mensen, volgens onze moeder, omdat wij rijk waren.
Ik genoot van die avonden dat we mochten opblijven, maar mijn zusje vertelde later dat ze het vervelend vond dat moeder overal over mopperde en dat moeder het huis te klein en te oud vond.
De meeste herinneringen speelden zich buiten af, waar de zon altijd scheen op onze oude witte villa met het prinsessenbalkon. Het huis was omringt door veel bos en weilanden en een boomgaard met fruitbomen. We hadden twee pony's waarop mijn zusje en ik reden en prijzen wonnen op concoursen. De vader van mijn vriendinnetje was een paardenhandelaar en zo hebben wij samen de pony-club van ons dorp opgericht.
De beste herinneringen liggen bij mijn beppe en pake van moeders kant, waar ik elke zomervakantie drie weken mocht logeren. Beppe die mijn wangen opwreef met een ruw washandje vóórdat ik buiten mocht spelen met mijn nichtje. Mijn oom had de boerderij overgenomen en woonde met zijn gezin onder een dak met pake en beppe en een zeer geliefd mongooltje.
"Dan zijn je wangetjes rood en zo hoort dat bij een kind."
Maar ik bén een kind, dan zijn mijn wangetjes toch rood, dacht ik terwijl ik die onaangename wasbeurt met mijn ogen dichtgeknepen onderging.
En als ik 's avonds moest gaan slapen, kreeg ik eerst sinaasappeltjes met suiker onder toezicht van de voldane glimlach van beppe én van pake, met zijn wijduitstaande snor. Pake maakte altijd lol.
Als de vakantie erop zat verstopte ik me onder in de wasmand. Beppe en moeder konden me die eerste keer niet vinden. Tot ze té bezorgd werden en mijn nichtjes me onder veel hilariteit, onder de was tevoorschijn haalden.
"Famke toch!"
Ik wilde de hele zomervakantie bij beppe blijven, maar dat mocht niet.
Later werd ik te groot voor de wasmandstunt. En weer later fietste ik zelf naar de grote boerderij met mijn koffer achterop, trappend voor en tegen de wind over de kleine verharde en zandwegen tussen de uitgestrekte weilanden, door het mooie twense landschap.
Bij deze grootouders heb ik me onbezorgd en veilig kind gevoeld.
Van beppe heb ik als tiener een gouden ringetje gekregen.

Mijn vader had een vos die hij zelf had gevangen, want hij was jager in zijn vrije tijd. De vos kreeg elke ochtend zijn ontbijt samen met de konijnen en de cavia's van mijn zusje die dol was op dieren. En soms kregen we tranen op ons brood van ons ontroostbaar zusje, want er ging er regelmatig eentje dood.
Mijn zusje en ik moesten piano spelen en zo kwam het dat wij samen tijdens de missen in de katholieke kerk, het orgel mochten bespelen. Mijn zusje deed dat beheerst en ik deed dat met expressie. Meneer kapelaan was modern en vond beide goed. Meneer pastoor was een dikke gesloten man die de regels belangrijk vond. Jaren later zou ik snappen waarom mijn zusje en ik zo hard door de priesterkleedkamer moesten rennen want die kamer was 'heilig'.
Omdat wij na de mis vaak het gevoel hadden dat niemand ons nog hoorde spelen tijdens het vertrek uit de kerk, gingen we 'Vader Jacob' spelen. Slechts een enkeling keek om naar het orgel. De meeste blikken waren gericht op het café aan de overkant van de kerk, waar te veel tientallen jaren later de kardinaal uit Rome zijn berouwvolle excuses heeft aangeboden aan de, destijds kleine misdienaartjes uit de 'heilige' priesterkleedkamer.
Veel christelijks heb ik van het katholieke geloof niet meegekregen. Moeder gebruikte het gangpad van de kerk als een catwalk door altijd te laat te komen en keek uit naar het grote geld. Vader keek uit naar ufo's. Vliegen was zijn hobby en hij haalde zijn vliegbrevet op latere leeftijd. Dan stonden wij met onze hoofden in onze nek uit ons dak te gaan: pa vliegt over ons huis!
Toen we oud genoeg waren moesten we helpen in het bedrijf en het geld dat we daarmee verdienden kwam op een speciale rekening die ik nooit heb gezien.
Op mijn achttiende had ik mijn rijbewijs op zak - want rijbewijs hoorde, net als piano spelen, bij de opvoeding - en zo mocht ik in mijn eentje de straat op met het bedrijfsbusje van de zaak. Van Twente naar het noorden van het land was een heel eind. Zwaar werk was het ook met lossen en laden en soms lange einden sjouwen. Tevoren wees mijn vader mij de weg: 'Daar moet je niet heen en daar moet je niet in en die straat ook niet en die paal moet je voorbij...' Ik begreep hem precies en deed mijn werk altijd goed én graag. Ik genoot van de vrijheid als ik onderweg was en de verantwoording die ik mocht dragen. En als ik dan weer veilig terugkwam met het busje zag ik de trots op het gezicht van mijn vader.
"Die redt zich wel."

Ik zal een jaar of vijf, zes zijn geweest toen wij achter elkaar in de rij stonden op onze leeftijden en om de beurt bij onze moeder op schoot moesten. Er waren welzijnswerkers want ik herinner me een of twee vreemden. Mogelijk had moeder hulp gevraagd bij de opvoeding. Ze had moeite met het knuffelen van haar kinderen, heeft ze later gezegd. En ik was de eerste die op schoot moest. Het was vreemd voor mij zo dicht bij onze moeder te moeten zijn en ik vond dat ze glibberig kippenvel had. Haar hals en decolleté was bezaaid met kleine zwetende bobbeltjes. Ik bevrijdde mijzelf uit deze onprettige situatie en nam de benen.
"Kijk dit kind wil niet geknuffeld worden!"
Het lag aan mij en niet aan moeder, is me nog jaren in herinnering gebracht.

Soms was ik zomaar depressief en stond ik, als populair meisje van de lagere school, stil in een hoekje te treuren. En als de andere kinderen of de juf of meester mij vroegen wat er was, dan wist ik het niet. Mijn moeder deed 'raar'.
Het bleek dat ik niet goed kon leren. In de derde klas bleef ik zitten. Moeder zei dat ik 'andere gaven' had, maar wat dat waren zei ze niet. Ze zei dat ik haar alles mocht vertellen wat me dwars zat, maar toen ik daar gehoor aan wilde geven siste ze woedend dat ik het niet in mijn hoofd moest halen háár te storen als ze aan het werk was. Ze torende hoog boven me uit, gekleed in een zandkleurige werk-jas en ze smeet me een vernietigende blik toe. Ik heb het nooit weer geprobeerd.

Schrijver: Susan, 4 mrt. 2020


Geplaatst in de categorie: familie

4,7 met 3 stemmen 33



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)