Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen over idool

Een gezworen vriend van de Ierse natuur

(voor Patrick Kavanagh (1904 - 1967))

Jij bent geboren op 21 oktober 1904 op het platteland in Inniskeen. Jouw ouders waren James Kavanagh en Bridget Quinn. Jouw opa Kevany was een leraar, die bij zijn doop door een priester in Kavanagh werd veranderd. Hij moest na een schandaal het gebied verlaten en hij gaf nooit meer les op een nationale school. Hij trouwde en stichtte een gezin in Tullamore aan het Canal Grande. Jouw vader was schoenmaker en boer. Jij was de vierde van tien kinderen. Jouw jongste broer Peter was een schrijver, geleerde en uitgever, geboren op 19 maart 1916 en overleden op 27 januari 2006. Hij verzamelde, redigeerde en publiceerde jouw werken, eerst 'Recent Poems'. In 1952 begon jij samen met hem het literaire tijdschrift 'Kavanagh's Weekly', wat 13 weken bestond. Hij was universiteitsprofessor in Amerika. Na jouw overlijden stopte hij als professor in de moderne poëzie en publiceerde hij 7 boeken over jou, inclusief de biografie 'Sacred Keeper' uit 1978. Twee van jouw zussen waren lerares, drie een verpleegster en één een non.

Van 1909 tot 1916 ging jij naar de Kednaminsha National School, waar jij op jouw 13-de vertrok om bij jouw vader als schoenmaker in de leer te gaan. Jij werkte op zijn boerderij en jij was keeper voor het Inniskeen Gaelic football team. In 1928 verschenen jouw eerste publicaties in de 'Dundalk Democrat' en de 'Irish Independant'. Via de 'Irish Statesman' kreeg jij contact met de schrijver/helderziende/redacteur George William Russell, een leider van de Irish Literary Revival, met als boegbeeld William Butler Yeats. Russell is geboren op 10 april 1867 in Lurgan en hij was bevriend met Yeats en de schrijver Michael Francis O'Donovan, getrouwd met de schrijfster/actrice Evelyn Bowen, met wie hij 2 zonen en 1 dochter kreeg. Met zijn tweede vrouw Harriet Rich kreeg hij 1 dochter. Met Joan Knape kreeg hij een zoon, de priester/hoogleraar Oliver, getrouwd met Joan Lockwood, met wie hij de zonen Matteüs en Paulus kreeg. George William Russell was getrouwd met Violet North, met wie hij 3 zonen kreeg; Brian, Diarmuid en iemand, die kort na zijn geboorte overleed. Russell overleed op 17 juli 1935 in Bournemouth door kanker. Hij werd 68 jaar en hij is begraven in de Mount Jerome Cemetery op 158 Harold's Cross Road in Dublin, net als de kunstschilder Jack Butler Yeats, de broer van William, en Sir William Robert Wills Wilde, de vader van Oscar Wilde, afstammelingen van de Nederlandse kolonel De Wilde, die in 1690 met het leger van koning Willem van Oranje Ierland binnenviel, waar op 1 juli 1690 de Slag bij de Boyne plaatsvond.

Jij vond Russell een 'groot en heilig man'. Hij gaf jou o.a. boeken van Dostojevsky, Hugo, Whitman, Emerson en Browning. Hij was jouw literair adviseur. Jij was lid van de Dundalk library, waar jij als eerste 'The Waste Land' van T.S. Eliot leende. In 1929 en 1930 publiceerde Russell meer van jouw gedichten. Jij verliet de boerderij en jij liep in 1931 129 kilometer naar Dublin om Russell te ontmoeten. Jouw broer was leraar in Dublin. In 1936 verscheen jouw dichtbundeldebuut 'Ploughman and Other Poems' bij Macmillan Publishers, in 1843 in Londen opgericht door de Schotse broers Daniël en Alexander MacMillan. Daniël was getrouwd met Frances Orridge, met wie hij 2 zonen kreeg, Frederick en Maurice. Maurice kreeg samen met zijn vrouw Helen Artie Tarleton Belles de zoon Maurice Harold Macmillan, die van 1957 tot 1963 de premier van Engeland was. Daniël overleed op 27 juni 1857 in Cambridge. Hij werd 43 jaar en hij is in de Mill Road Cemetery begraven. Jij gaf een realistische kijk op het Ierse plattelandsleven. In 1938 was jij 5 maanden in Londen en in 1938 verscheen jouw autobiografische roman 'The Green Fool'. De schrijver/dichter Oliver Joseph St. John Gogarty klaagde jou aan, omdat jij over jouw eerste bezoek aan zijn huis schreef: 'Ik verwarde Gogarty's witgeklede dienstmeisje met zijn vrouw of zijn minnares; Ik verwachtte dat elke dichter een reservevrouw zou hebben.'. Jij moest hem 100 pond betalen. Het boek kreeg internationale erkenning en prima recensies.

In 1939 ging jij in Dublin wonen, wat literair gezien tegenviel, kleinzielig en onwetend was. Door de Tweede Wereldoorlog had jij geen contact met jouw uitgevers in Londen en kon jij geen herdrukken regelen. De schrijver Sir John Betjeman probeerde een Engelse spion van jou te maken. In 1942 verscheen jouw beste werk, het lange gedicht 'The Great Hunger', over de ontberingen van het plattelandsleven. Het stond in het literaire tijdschrift 'Horizon', geredigeerd door Cyril Vernon Connolly, die van 1930 tot 1939 met Jean Bakewell (1910 - 1950) was getrouwd. In 1950 trouwde hij met de schrijfster Barbara Olive Skelton en in 1959 met Deirdre Craven, met wie hij 2 kinderen kreeg, o.a. op 14 januari 1960 in Londen de schrijfster Cressida Connolly, de eerste vrouw van de schrijver/journalist Adrian Anthony Gill (1954 - 2016). Cressida trouwde in 1985 met de Worcestershire bloemblaadjesboer Charles Hudson, met wie zij 3 kinderen kreeg. Van 1942 tot 1944 schreef jij een roddelcolumn in 'The Irish Press', onder het pseudoniem Piers Plowman. Van 1945 tot 1949 was jij filmcriticus voor die krant. Van aartsbisschop John Charles McQuaid van Dublin kreeg jij een baan bij het katholieke tijdschrift 'The Standard'. McQuaid steunde jou de rest van jouw leven. In 1948 verscheen de semi-autobiografische roman 'Tarry Flynn', die een tijd verboden was. Het werd ook tot een toneelstuk omgevormd, wat in 1966 in het nieuwe Abbey Theatre op 26 Lower Abbey Street in Dublin werd opgevoerd.

Eind 1946 verhuisde jij naar Belfast, waar jij als journalist en barman werkte, in het Falls Road-district, misschien in de Beehive Bar. Jij logeerde in het Beechmount-gebied. Jij was familie via de zwager van de huurder in Ballymackney. Jij liet de familie talloze manuscripten zien, die mogelijk nu allemaal in Spanje zijn. In november 1949 ging jij naar Dublin terug. Vanwege jouw toenemende alcoholisme en verslechterde gezondheid werd jouw persoonlijkheid meer en meer door donquichotterie bepaald. Jij werd een verward mens, die whisky in de bars van Dublin dronk. Van december 1949 tot juli 1951 schreef jij een maandelijks dagboek voor 'Envoy, A Review of Literature and Art', opgericht en bewerkt door de kunstenaar/uitgever John Ryan, jouw weldoener en vriend en ook de vriend van o.a. Brendan Behan, Brian O'Nolan, Anthony Cronin, Tom Joyce, de neef van James Joyce, Patrick Swift, Seán O'Sullivan, Pearse Hutchinson en James Patrick Donleavy, die in 1955 zijn roman 'The Ginger Man' publiceerde. Het kantoor van 'Envoy' was op 39 Grafton Street, maar jullie zaten meestal in de nabijgelegen pub McDaid's. De Bailey-pub was van Ryan. Jij had ook contact met de schrijver John Jordan en de beeldhouwer Desmond MacNamara, die een buste van jou maakte, te zien in het Irish National Writers Museum.

Van 12 april tot 5 juli 1952 verscheen jouw tijdschrift 'Kavanagh's Weekly: A Journal of Literature and Politics'. Jij deed dit samen met jouw broer Peter en er verschenen 13 nummers. In 1954 begon jij een smaadprocedure tegen het tijdschrift 'The Leader', die een anoniem profiel van jou had gepubliceerd, waarin jij een 'alcoholische sponsor' werd genoemd. Met jouw film- en literatuurkritiek had jij vele vijanden gemaakt. Advocaat John Aloysius Costello van 'The Leader' won de zaak. Kort daarna kreeg jij de diagnose longkanker en werd er in een ziekenhuis een long verwijderd. Tijdens het herstel langs de oevers van het Canal Grande in Dublin kreeg jij weer veel inspiratie door de natuur, waar jij over dichtte. Costello werd een goede vriend van jou en als Fine Gael-politicus stemde jij op hem. In 1955 weigerde Macmillan gedichten van jou en werd jij erg depressief. In 1956 liet jij de gedichten door Patrick Swift lezen en hij wist er via de redacteur/dichter David Wright 19 in het literaire tijdschrift 'Nimbus' te publiceren. 'Nimbus' is in 1951 opgericht door Martin Green en Tristram Hull. Deze publicatie was een keerpunt voor jou en jij kreeg veel waardering. De collectie 'Come Dance with Kitty Stobling' volgde en tussen 1959 en 1962 was jij meer in Londen, waar jij voor het 'Z magazine' van Swift en Wright werkte. Jij was af en toe bij de Swifts in Westbourne Terrace.

Jij gaf lezingen aan het University College Dublin en in Amerika. In Londen was jij vaak bij jouw uitgever Martin Green en zijn vrouw Fiona en hun 6 kinderen op 28 Tottenham Street. Martin overleed op 4 februari 2015 in Sint-Austell en hij werd 82 jaar. In 1964 verscheen 'Collected Poems'. In april 1967 trouwde jij met jouw oude metgezellin Katherine Barry Moloney, een nicht van de IRA-soldaat Kevin Gerard Barry, die op 1 november 1920 in de Mountjoy Prison door de Engelsen via ophanging is vermoord. Hij werd 18 jaar. Jullie woonden aan de Waterloo Road in Dublin. Tijdens de première van 'Tarry Flynn' door de Abbey Theatre Company in Dundalk Town Hall werd jij ziek. Jij overleed op 30 november 1967 in het Merrion Nursing Home in Dublin. Jij werd 63 jaar en jij bent in Inniskeen begraven. Katherine overleed in 1989 en zij is bij jou begraven. John Coll maakte een bronzen standbeeld voor jou, waarbij jij op een bank zit, geplaatst naast het Canal Grande. Laury Dizengremel maakte zo'n standbeeld/zitbeeld van Virginia Woolf in Richmond-upon-Thames. In gedachten met elkaar versmolten.

Schrijver: Sir Joanan Rutgers
30 januari 2023


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 10



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)